2019-09-23

Kleintje

Kleintje is vooral in Antwerpen en in de Vlaamse en Nederlandse provincies Brabant en Limburg is kleintje nog altijd een veelvgebruiktevnaam voor een 'klein glaasje sterke drank'. In Hasselt werd kleintje omstreeks de eeuwwisseling ook gebruikt voor een halfvol borrelglas. 'Met een klontje suiker erin', zo heet het ergens, 'was het glaasje volledig gevuld.' Zo'n glaasje kostte toen 5 cent.v De borrelnaam kleintje werd vaak 'opgesierd'. In Brabant zijn bijvoorbeeld kleine man, klein manneke, klei...

Lees verder
2019-09-23

kleintje

1. Kleine kaart, d.w.z. iedere 2, 3, 4, 5 en 6. Een 7, 8 of 9 wordt vaak eveneens als een ‘kleintje’ beschouwd, maar is formeel een middenkaart. 2. Commando van de leider aan de dummy om de laagste kaart in de gevraagde kleur bij te spelen.

Lees verder
2019-09-23

Kleintje

een - doen informele uitdr. voor ‘urineren’.

Lees verder
2019-09-23

kleintje

kleintje - Zelfstandignaamwoord 1. een persoon van klein formaat, kind, peuter Pas jij even op de kleintjes? 2. een zaak van klein formaat We hebben alleen wat aan die flinke schelpen, gooi die kleintjes maar weer terug. 3. kleine bedragen, klein geld Als je niet op de kleintjes let, ben je zo armpie af.

Lees verder
2019-09-23

kleintje

(1) kleine boodschap*; het urineren. Vaak gezegd tegenover kinderen. ‘En piesen zeggen wij ook niet’, vervolgt tante Roosje. Ik dacht juist dat piesen netjes was en alleen pissen of zeiken niet mocht. ‘Fatsoenlijke mensen hebben het over ‘een kleine boodschap’ of ‘een kleintje’. Sal Santen: Heden kijkdag. 1987 (2) in de achttiende eeuw een verbloemende benaming voor het vrouwelijk schaamdeel. Een synoniem is kleinigheid*. Wyl je ’t niet geloven wilt, wil ik u eens zegg...

Lees verder
2019-09-23

kleintje

kleintje - zelfstandig naamwoord uitspraak: klein-tje 1. iemand die klein is, of iets wat klein is ♢ hij bestelde een kleintje pils 1. vele kleintjes maken één groot [alle beetjes helpen] 2. op de kleintjes moeten letten [weinig geld te besteden hebben]

Lees verder
2019-09-23

Kleintje

KLEINTJE, o. (-s), klein kind, knaapje; •—■ eene kleine zaak, eene kleinigheid, iets gerings: dat is geen kleintje, dat is niet gering; — (spr.) veel kleintjes maken een groote, alle beetjes helpen, (ook) men moet de kleinigheden niet geringachten; — men moet op de kleintjes passen, op geringe zaken acht geven, op de kleine uitgaven letten; — hij is met een kleintje tevreden, hij is licht te voldoen; — hij is voor geen kleintje vervaard, hij durft veel; — ik ben er geen kleintje...

Lees verder