Wat is de betekenis van Kaal?

2022
2022-08-14
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

kaal

(1991) (vaak met de toevoeging: als een deur) (stud.) erg dronken; bezopen. Met kaal wordt hier waarschijnlijk bedoeld: beroofd van wat men bezit (in dit geval zijn verstand). Zie ook: knetterkaal*. • (Albert Gillissen & Paul Olden: Het eerste Nederlandse Studentenwoordenboek. 1991) • Kaal: zeer dronken. (Marnix en Marjan v...

Lees verder
2019
2022-08-14
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kaal

kaal - Bijvoeglijk naamwoord 1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort kaal - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kalen ♢ Ik kaal 2. gebiedende wijs van kalen kaal! 3. (bij inversie)...

Lees verder
2018
2022-08-14
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kaal

kaal - bijvoeglijk naamwoord 1. zonder haar of andere bedekking of aankleding ♢ mijn vader is al helemaal kaal 1. een kale boterham [zonder beleg] 2. een kale boom ...

Lees verder
2017
2022-08-14
Studenten

Jargon & Slang van Studenten

Kaal

Kaal - in uitdr. zoals kaal gaan: zich bedrinken (vnl. te Delft), kaal als een deur: heel erg dronken; kaal zijn kan ook blut zijn betekenen.

1998
2022-08-14
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Kaal

1. - als een deur,erg dronken. Studentenslang. 2. kale boeren maken; een kale boer slaan; kaleboe- ren,slanguitdr. voor ‘masturberen’. Een kale boeris een onwillekeurige zaadlozing, volgens Van Dale(1992) ook wel een deserteurgenoemd. In 1852 informeerde de Duitse lexicograaf Ja- cob Grimm in een brief aan zijn Nederlandse collega Matthias de Vries...

Lees verder
1998
2022-08-14
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

kaal

1. Een kale honneur: sec. 2. Een kale hand: zonder vulling. Uitdrukkingen: kaal zetten; kaal zitten.

Lees verder
1973
2022-08-14
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kaal

bn. en bw. (kaler, -st), 1. (van een schedel) zonder haar, niet meer met haar bedekt of dit gedeeltelijk verloren hebbend: een — hoofd; een kale schedel, knikker, kruin; hij is al helemaal —; — worden, zijn haar verliezen; ook in de zin van: met heel kort haar: zijn hoofd — laten knippen of scheren; van andere lichaamsdelen,...

Lees verder
1954
2022-08-14
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Kaal

wil zeggen onbehaard. Naast het k. of onbehaarde, kent men het behaarde bladoppervlak (z. Haar). Soms is het kale bladoppervlak met een waslaagje bedekt, berijpt zoals bij de tulp, het kan ook glimmend zijn zoals bij de klimop: dof zoals bij de anemoon; ruw bij de iep; rimpelig bij de dovenetel en hobbelig bij de sleutelbloem.

Lees verder
1952
2022-08-14
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kaal

adj., keal; — worden, keal wurde, forfearje, blêzje; — worden (v. hoofd) der keal boppe-op wurde, troch it hier hinne waeks(j)e; — hoofd, keale holle, keale plasse, blês; kale heren, skriele hânzen, kealfinken, neakene swellen; oude kale jas, bloat; zo — ...

Lees verder
1950
2022-08-14
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Kaal

bn. bw. (kaler, -st), 1. (van de schedel) zonder haar, niet meer met haar bedekt of dit gedeeltelijk verloren hebbend : een kaal hoofd; een kale schedel, knikker, kruin; — ook in de zin van: met heel kort haar: zijn hoofd kaal laten knippen of scheren; — van andere lichaamsdelen, van de huid of het gehele lic...

Lees verder
1948
2022-08-14
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

Kaal

(Hebr.) zie Kahal.

1937
2022-08-14
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kaal

1 bn. kaler, -st (1 geheel of gedeeltelijk haarloos; 2 kort af geknipt, geschoren; 3 zonder veren; 4 met een onbehaarde huid, naakt; 5 van stoffen: zonder wol, glad en glimmend geworden; 6 bladerloos; 7 van het land: van gewassen ontbloot; 8 v. d. grond enz.: onbegroeid; 9 onbekleed, onbedekt in verschillende opvattingen; 10 beroofd van ’t ge...

Lees verder
1926
2022-08-14
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Kaal

De toestand van de huid, vooral van de hoofdhuid, wanneer daarop het haar, dat er zich van nature bevindt, niet meer aanwezig is. De Schrift spreekt van een kaalheid, ontstaan doordat het haar uitgevallen is (Leviticus 13 : 40: „als een man zijn hoofdhaar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, zie hij is rein”). Maar ook is sprake van het z...

Lees verder
1898
2022-08-14
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kaal

KAAL, bn. bw. (kaler, -st), haarloos, onbehaard, geschoren, of kort geknipt: een kaal hoofd; — kaal worden, zijn haar verliezen; plant met kalen stengel; — (van vogels) zonder vederen: die jonge vogels zijn nog kaal; — (van planten) zonder bladeren : een kale boom; de rupsen hebben de besseboompjes kaal gevreten; — (ook v...

Lees verder
1898
2022-08-14
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Kaal

zie Burgwal, zie Bloot.

1856
2022-08-14
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Kaal

b.n. - Ontbloot. Een kale ra (een ra zonder zeilen). Een kale boeg (een boeg zonder ankers), enz.

Lees verder