2019-11-22

-je

-je - Achtervoegsel 1. ter vorming van verkleinvormen Verwante begrippen -ken, -ke, -tje

2019-11-22

je

je - voornaamwoord 1. tweede persoon enkelvoud, object ♢ heeft Iris je gezien? 2. de andere persoon, tweede persoon enkelvoud, subject ♢ je moet oppassen, Anton 3. bezittelijk: hij is van die andere persoon ♢ mag Hans je schaatsen lenen? 4. wederkerend...

2019-11-22

Je

JE, (gemeenz.) pers. voornw. gij, u; ga je weg ?; — als stopwoord : het is je wat te zeggen; 't is om je een ongeluk te lachen; — heb je ooit van je leven ! ook bez. voornw. uw: is dit je boek ?; — (gemeenz.) dat is je tabak, de beste die je krijgen kunt, die je bepaald nemen moet.