Hemelen
(hemelde, is en h. gehemeld), 1. naar de hemel gaan, sterven : het kindje wil hemelen ; 2. tranen waardoor een glimlach hemelt, zich in hemelse schoonheid vertoont; 3. hier, waar de liefde hemelt, een hemel schept; (Zuidn.) kwaaddoen en hemelt niet, brengt geen voorspoed aan; 4. in hemelse verrukking zijn of brengen;...