Wat is de betekenis van goochem?

2020
2021-06-18
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

goochem

1) (1844) (< Hebr. chochom, wijs, verstandig) (Barg.) slim; geslepen; ervaren. In de uitdrukking 'wees goochem, ga melogem' wordt een allusie gemaakt op de reclameslogan 'Wees slim, koop Glim'. • Dufour, die toezigter op de spinzaal was, en mij kende voor een gogeme rot (doorslepen guit), stelde mij voor om loe...

Lees verder
2019
2021-06-18
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

goochem

bijdehand, slim, geslepen In 1844 voor het eerst aangetroffen, in een artikel over het Bargoens in de Algemeene Konst- en Letterbode. Het komt hierin voor in de combinatie goocheme vrijer voor ‘slimme man, geslepen vent’. Vervolgens, eveneens in 1844, gevonden als gognum voor ‘moedig, slim’ en, omstreeks 1860, in de verbindinge...

Lees verder
2019
2021-06-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

goochem

goochem - Bijvoeglijk naamwoord 1. (Jiddisch-Hebreeuws) slim Woordherkomst Herkomst: Jiddisj Verwante begrippen Hebreeuws: chacham

Lees verder
2018
2021-06-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

goochem

goochem - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: goo-gem 1. wie het vlug snapt en snel reageert ♢ Finn snapt het niet, hij is niet erg goochem Bijvoeglijk naamwoord: goo-gem ... is goochemer dan ... ...

Lees verder
1993
2021-06-18
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Goochem

slim; gewiekst

1973
2021-06-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

goochem

[➝Hebr.], bn., (gemeenz.) slim, geslepen, gewiekst: een goocheme jongen, een gladde vent.

1955
2021-06-18
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Goochem

(Barg.) wijs, ervaren, slim.

1949
2021-06-18
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

goochem

loos.

1948
2021-06-18
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

goochem

(Hebr.) slim, pienter, gewiekst.

1919
2021-06-18
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Goochem

slim, hebr. gochom, wijs, verstandig, geleerd. Daarvan : een goochemerd, slimmerd, in het barg. ook = rechter van instructie. Brusse, Boefje 75: „Ouwe gochemert!”

Lees verder
1898
2021-06-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Goochem

bn. (gemeenz.) slim, geslepen, gewikst: een goocheme kerel, een gladde vent.