Wat is de betekenis van goed?

2019
2021-04-21
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

goed

goed - Bijvoeglijk naamwoord 1. kwaliteit bezittend Wat een goed stuk om te lezen! goed - Zelfstandignaamwoord 1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben Gezondheid is een groot goed. goed - Bijwoord...

Lees verder
2018
2021-04-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

goed

goed - zelfstandig naamwoord 1. spullen of bezittingen ♢ de spoorwegen vervoeren allerlei goederen 1. gestolen goed gedijt niet [wat je gestolen hebt brengt je ongeluk] 2. have...

Lees verder
2017
2021-04-21
Kadaster

Woordenboek van het Kadaster.

Goed

Een goed is een zaak of een vermogensrecht .

2014
2021-04-21
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

goed

(< Mhd. guot), goed, gunstig; goed komen bij, gunstig liggen bij, ’t goed doen bij: Het type dat het klaarspeelt bij iedere Jordaanmeid en die ook goed komt bij mevrouw in de Beethovenstraat, BOTING1 30; nou ’t goeie (afscheidsgroet), ’t beste, tot ziens: COHEN 28.

2008
2021-04-21
Praktische Economie havo 3

Begrippenlijst uit Praktische Economie havo 3

goed

Een tastbaar product, zoals een brood.

2000
2021-04-21
Basisboek Recht

Basisboek Recht

Goed

Zowel zaak als vermogensrecht.

1998
2021-04-21
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

goed

1. Hoog. Verkorting van: goed voor de rest van de slagen. Bijvoorbeeld gezegd van de dummy waarin alleen nog maar hoge kaarten liggen. 2. Technisch of tactisch juist (van een speelwijze of bieding). Zie ook: fout; goed doen; goede hand; goed zitten; slecht zitten; verkeerd zitten

Lees verder
1997
2021-04-21
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

goed

Voor de vloek mijn goeie God (nog aan toe), die irritatie, verwondering, teleurstelling, verontwaardiging e.d. uitdrukt, zie men onder God. Voor goeie genade, grut en hemel(tje) zie men die trefwoorden.

1992
2021-04-21
Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Goed

Heel ruwweg de eigenschap of karakterisering van een zaak die haar aanbevelens- of prijzenswaardig maakt. Sinds Aristoteles en zijn middeleeuwse volgelingen ‘goed’ niet in het schema der categorieËN opnamen behalve door het in alle categorieën toepasselijk te verklaren (zie zijn over transcendentalia), heeft het door zijn vele betekenissen vele fil...

Lees verder
1992
2021-04-21
Hoofdlijnen Nederlands Recht

Hoofdlijnen Nederlands Recht

goed

Juridische verzamelnaam voor alle zaken en vermogensrechten.

1991
2021-04-21
Lesbotaal Lexicon (1991)

Lesbiaans : lexicon van de lesbotaal (1991). Geschreven door Kunst, Hanneke, en Xandra Schutte.

Goed

Goed - lesbo of homo, ironische omkering van verkeerd. Ook van de goede kant.

1952
2021-04-21
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Goed

1 s.n.; (bezittingen), goed (it); (voorwerpen, stoffen), guod (it). 2 adj. & adv., goed, bêst, bêstich; -e Vrijdag, Goedfreed; zich tedoen, jin bigerzje; hethebben, it hawwe as wyn en bôlle, it tige hawwe; zichtrachten te houden,...

Lees verder
1926
2021-04-21
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Goed

Zooveel wijsgeeren, zooveel definities van het goede. Het zou hier geen zin hebben een bloemlezing van deze definities te geven. Wel dient even gewaarschuwd tegen de versubjectiveering, welke men gedurig weer en in den laatsten tijd vooral onder invloed van het NeoKantianisme het begrip van het goede heeft doen ondergaan. De waarde-leer heeft de id...

Lees verder
1916
2021-04-21
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Goed

Goed - is een waarde-praedicaat, dat een begeeren en willen veronderstelt. In wijderen zin heet „goed” alles, wat is, zooals men het begeert, alles wat aan een doel beantwoordt, het aangename en nuttige (goede wijn, een goed mes, een goed timmerman). In engeren zin is goed = zedelijk goed en wordt het woord gebruikt om die handelingen en gezindhede...

Lees verder
1898
2021-04-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Goed

1. GOED, bn. bw. (beter, best), (van personen) zoodanig zijnde als men kan verlangen een goed huisvader; een goed zoon; hij is een goed ruiter; weder goede vrienden worden, zich met elkaar verzoenen; — (spr.) een goede buur is beter dan een verre vriend, men heeft meer dienst van een bereidwilligen buurman dan van een bloedverwant die te ver...

Lees verder
1898
2021-04-21
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Goed

zie Have.

1870
2021-04-21
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Goed

Goed noemt men uit een wijsgeerig oogpunt alles wat, tot een bepaald doel gebezigd, de gewenschte werking heeft. Immers de waarde der dingen is afhankelijk van hunne doelmatigheid Het hoogste doel, door de rede als zoodanig erkend, is het onderwerp der zedeleer. Al wat geschikt is, om dit doel te bereiken, bestempelen wij met den naam van goed, — e...

Lees verder