Wat is de betekenis van gerust?

2020
2022-08-18
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

gerust

Het begrip gerust heeft 3 verschillende betekenissen: 1) in een kalme stemming verkerend. in een kalme stemming verkerend, waarin men niet bevreesd of bezorgd is. 2) van iemand in kalme stemming. van of als van iemand in kalme stemming; van of als van iemand die niet bevreesd of bezorgd is. 3) zonder bezwaar. zonder bezwaar;...

Lees verder
2019
2022-08-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gerust

gerust - Werkwoord 1. voltooid deelwoord van rusten gerust - Bijvoeglijk naamwoord 1. zonder angst of zorg Na dat gesprek was hij in een heel wat gerustere stemming dan voorheen. gerust - Bijwoord 1. op geruste wijze Bekijk gerus...

Lees verder
2018
2022-08-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gerust

gerust - bijwoord uitspraak: ge-rust 1. zonder bezwaar ♢ kom gerust eens koffiedrinken! Bijwoord: ge-rust

Lees verder
1973
2022-08-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gerust

(-er, meest -), I. bn., 1. rustig, kalm gestemd: zij slaapt —; 2. rustig, zonder vrees voor onheil, straf of zelfverwijt: ik ben niet -, zolang hij niet thuis is; wees —, maak u niet bezorgd; een geweten, gemoed, dat geen schuld voelt; (metonymisch) zich kenmerkend door de rustige stemming van de persoon die erbij betrokken is: zijn o...

Lees verder
1952
2022-08-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gerust

adj. & adv., gerêst, rêstich; (adv.) feilich, frij.

1937
2022-08-18
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gerust

I. bn. (1 in een rustige, kalme stemming; rustig; 2 kalm, omdat men niet behoeft te vrezen; 3 vreedzaam); 1. geruste stilte; een gerust gemoed; gerust zitten te studeren; iem. gerust laten, a) met rust, ongemoeid, b) Z.-N. met vrede laten; 2. ik ben niet gerust omtrent (Z.-N. in) iem. of iets; op iets gerust zijn; iem. geruststellen; een geruste...

Lees verder
1898
2022-08-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gerust

GERUST, bn. bw. (-er, meest-), rustig, kalm gestemd zij slaapt gerust: een gerust en onbezwaard geweien; — (Zuidn. ook van plaatsen) kalm, rustig: de kermis is voorbij, het dorp is weer gerust; — (gew.) iemand gerust laten, hem met rust, met vrede laten; — rustig, omdat men niet behoeft te vreezen voor onheil, straf of zelfverwi...

Lees verder