Wat is de betekenis van feitelijk?

2019
2022-10-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

feitelijk

feitelijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. zo niet op papier dan toch wel in werkelijkheid Dit is een feitelijke erkenning van zijn ongelijk. 2. eigenlijk. feitelijk - Bijwoord 1. zo niet op papier dan toch wel in werkelijkheid Hij heeft feitelijk...

Lees verder
2018
2022-10-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

feitelijk

feitelijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: fei-te-lijk 1. in de grond van de zaak, in werkelijkheid ♢ de feitelijke toestand ken ik niet Bijvoeglijk naamwoord: fei-te-lijk de/het feitelijke ... ...

Lees verder
1973
2022-10-01
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

feitelijk

bn. en bw., 1. in een daad of daden bestaand, meestal in de rechtstaal gebruikelijk: — geweld; feitelijke aanranding; de feitelijke rechter, onjuist gebruik voor rechter die over de feiten oordeelt, judex facti; 2. het karakter van een feit dragend, uit de feiten blijkend, werkelijk: de feitelijke toestand; bw.: inderdaad, in werkelijkheid:...

Lees verder
1952
2022-10-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Feitelijk

adj., feitlik; adv., feitlik(s), feitliken.

1950
2022-10-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Feitelijk

bn. bw., 1. in een daad of daden bestaand, meest in rechtstaal gebruikelijk : feitelijk geweld-; feitelijke aanranding; — (rechtst.) de feitelijke rechter, onjuist gebruik voor: rechter die over de feiten oordeelt, judex facti; 2. het karakter van een feit dragend, uit de feiten blijkend, werkelijk: de feitelij...

Lees verder
1937
2022-10-01
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

feitelijk

I. bn. (1 daadwerkelijk inz. rechtst.; 2 het karakter v. e. feit dragend; uit de feiten blijkend): 1. feitelijke aanranding; 2. de feitelijke toestand, werkelijk. II. bw. (welbeschouwd, inderdaad): die wet is feitelijk nooit uitgevoerd.

Lees verder
1930
2022-10-01
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

feitelijk

('feitәlәk) I. bn. en bw. 1. Recht, daadwerkelijk: -e aanranding. 2. werkelijk: de -e toestand; gelijkheid rechtens en -. II. bw. inderdaad, welbeschouwd: heeft hij ongelijk.

Lees verder
1898
2022-10-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Feitelijk

FEITELIJK, bn. bw. werkelijk de feitelijke toestand; — feitelijk heeft hij ongelijk, feitelijk is hij de schuldige, inderdaad, in werkelijkheid; — handdadig, vijandig: iem. feitelijk aanranden. FEITELIJKHEID, v. (...heden), handdadigheid, aanranding.

Lees verder