Wat is de betekenis van Doorloop?

2020
2020-11-30
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

doorloop

(1961) (ton.) onvolledige repetitie, waarbij het stuk of de techniek (de technische doorloop) wel in volgorde wordt gerepeteerd. • Een doorloop of een doorlooprepetitie: een vluchtige repetitie, waarin de tekst snel wordt gezegd en de bewegingen worden aangegeven. Meestal laatste repetitie voor een première, ongecostumeerd en...

Lees verder
2019
2020-11-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

doorloop

dóórloop - Zelfstandignaamwoord 1. het in zijn geheel zonder onderbreking doornemen van een toneel- of muziekstuk. We hebben gisteren een eerste doorloop van het stuk gedaan, waaruit bleek dat er nog veel te verbeteren valt. 2. (medisch) diarree 3. doorgang, gangpad doorloop - W...

Lees verder
2017
2020-11-30
Marc De Coster

Auteur van o.a. Het Groot Scheldwoordenboek

Doorloop

Doorloop - theaterjargon voor een onvolledige repetitie, waarbij het stuk of de techniek (de technische doorloop) wel in volgorde gerepeteerd wordt.

2002
2020-11-30
Lexicon voor de kunstvakken

Verklaringen van woorden die gebruikt worden in teksten over kunst.

doorloop

Doorloop is het bij wijze van repetitie zonder onderbreking spelen van een bedrijf of het hele toneelstuk, soms inclusief de kostuums, het licht en andere technische aspecten.

Lees verder
2001
2020-11-30
Begrippenlijst drama

Nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling

Doorloop

Het zonder onderbreking (bv. door regie-aanwijzingen) spelen van een bedrijf of het gehele toneelstuk, soms uitgebreid met de kostuums, het licht en andere technische aspecten, bij wijze van repetitie. Literatuur - Dam, van H. Theater in gebruik

Lees verder
1973
2020-11-30
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

doorloop

m. (-lopen), 1. doorgang, gangpad; ruimte tussen twee vertrekken die ruimer is dan een gang maar smaller dan een kamer; kort steegje; in dit huis is een —, men moet de woonkamer door om in de keuken te komen.

Lees verder
1898
2020-11-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Doorloop

DOORLOOP, m. (-en), doorgang, gangetje tusschen twee vertrekken; kort steegje; (ook) in dit huis is een doorloop, men moet de woonkamer door om in de keuken te komen.