Wat is de betekenis van Diefstal?

2019
2021-09-17
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

diefstal

diefstal - Zelfstandignaamwoord 1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren Hij werd van diefstal beschuldigd.

Lees verder
2018
2021-09-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

diefstal

diefstal - zelfstandig naamwoord uitspraak: dief-stal 1. het zonder toestemming meenemen van iets dat niet van jou is ♢ de man werd beschuldigd van diefstal Zelfstandig naamwoord: dief-stal de diefstal ...

Lees verder
2013
2021-09-17
Winish Ganesh

Fractiemedewerker Tweede Kamerfractie PvdA

Diefstal

Diefstal is het wederrechtelijk toe-eigenen van enig goed dat tot een ander toebehoort. In het strafrecht - en in het bijzonder het Wetboek van Strafrecht - wordt er in beginsel een onderscheid gemaakt tussen overtredingen en misdrijven. Het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht gaat over misdrijven, terwijl het derde boek van het Wetboek van...

Lees verder
1990
2021-09-17
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

diefstal

diefstal - Het wegnemen van enig goed dat aan een ander toebehoort, met het oogmerk om het zich permanent wederrechtelijk toe te eigenen.

1981
2021-09-17
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Diefstal

dit strafbare feit begaat men als men andermans goed wegneemt om het zich toe te eigenen.

1980
2021-09-17
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Diefstal

Het woord dief betekent eigenlijk: hij die heimelijk iets verricht en vandaar: hij die zich andermans bezit toeeigent. Het zelfstandig naamwoord dat de handeling van dit zich toeëigenen uitdrukt, was oorspronkelijk diefte. Dit is in de 17e eeuw bij schrijversals Vondel en Hooft nog het gewone woord, waaraan nog het Engelse theft beantwoordt. L...

Lees verder
1973
2021-09-17
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Diefstal

m. (-len), 1. daad van stelen: een diefstal begaan; van diefstal beschuldigen; het wegnemen van verloren voorwerpen wordt als diefstal beschouwd; gekwalificeerde diefstal, waarbij verzwarende omstandigheden optreden; 2. het gestolene. Diefstal is in verschillende tijden en volkeren op uiteenlopende wijze gewaardeerd. In het antieke Sparta werd be...

Lees verder
1965
2021-09-17
Lexicon van de Psychologie

N.Sillamy

DIEFSTAL

daad van iemand die via sociaal onaanvaarde middelen zich iets toe-eigent. Sommige diefstallen zijn een uiting van de affectieve onvolgroeidheid van de daders, soms van hun agressieve aard of stemming: ze hebben de dubbele betekenis van represaille en van wraak; ze worden meestal begaan door mensen die in hun jeugd gefrustreerd zijn geraakt (wezen,...

Lees verder
1954
2021-09-17
Groninger Encyclopedie

K. ter Laan

Diefstal

boven de waarde van een oud schild, werd met de galg gestraft volgens het Groot Verbond van de Stad met de Ommelanden in 1428.

1952
2021-09-17
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Diefstal

s., dieverij, rôf, tsjeafte, stelderij.

1950
2021-09-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Diefstal

m. (-len), 1. daad van stelen : een diefstal begaan; van diefstal beschuldigen ; 2. het gestolene.

Lees verder
1949
2021-09-17
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Diefstal

volgens Ned. Sw. het wegnemen van een goed, dat geheel of gedeeltelijk aan een ander toebehoort, met oogmerk, zich dit wederrechtelijk toe te eigenen. Straf: gevang, tot 4 j. of boete tot ƒ 60 (art. 310). Bij verzwarende omstandigheden (D. van vee uit de weide, D. bij brand, D. met inbraak, D. bij nacht in een woning, D. door 2 of meer verenig...

Lees verder
1933
2021-09-17
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Diefstal

wederrechtelijke toeêigening v. andermans goed.

1933
2021-09-17
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Diefstal

(Recht) is het wegnemen (met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening) van eenig goed, dat geheel of gedeeltelijk aan een ander toebehoort (N e d. W. v. Str. art. 310). Wie de eigenaar is moet bepaald worden naar de voorschriften van het Burgerlijk Recht. Bosch v. Oud-Amelisweerd.In het Belgisch Recht is het niet vereischt, dat het wegnem...

Lees verder
1926
2021-09-17
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Diefstal

Het eigendom is heilig, als een goddelijke instelling, als een door God, den alleen waren eigenaar, tot besturing toevertrouwd goed. God is de groote eigenaar van alles, want de aarde is des Heeren; maar Hij stelt menschen aan als rentmeesters, die rekenschap moeten afleggen van het beheer van hun goed. Die het eigendom van zijn naaste op eene of a...

Lees verder
1916
2021-09-17
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Diefstal

Diefstal, het wegnemen van eenig goed, dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen (art. 310 Sr.). Diefstal wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaren of geldboete van ten hoogste ƒ60. — De straf kan echter zwaarder zijn bij z.g.n. gequalificeerden diefstal, d. i. dief...

Lees verder
1898
2021-09-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Diefstal

DIEFSTAL, m. (-len), de daad van stelen een diefstal begaan; van diefstal beschuldigen.

1870
2021-09-17
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Diefstal

Diefstal. Zoodra de Staat zich in de maatschappij begint te ontwikkelen, tracht hij in de wetgeving den eigendom te beschermen, door de aanranding er van strafbaar te stellen. De Staat nam van het individu de taak. over om te zorgen, dat een ieder meester bleef over de vruchten van zijn eigen arbeid, en om te verhinderen, dat een ander door middel...

Lees verder