Denken
(dacht, heeft gedacht), I. (onoverg.) 1. (abs.) het verstand gebruiken, doen werken, t.w. een reeks voorstellingen van de geest bewust op elkaar doen volgen om verschil, overeenkomst, oorzakelijk verband te vinden en begrippen en oordelen te vormen: een groot aantal duidelijke waarnemingen vormt de grondslag van juist en grondig denken; ...