Bakje betekenis & definitie

De borrel naam bakje was in Noord en Zuid wijdverbreid en is dus in een groot aantal woordenboeken en dialect verzamelingen opgetekend. Het woord is in deze betekenis in 1839 voor het eerst gevonden. Al vanaf de 16de eeuw wordt hak in het Nederlands gebruikt voor 'drinkbeker, kelk'. In Vlaanderen was het bovendien een 'maat voor eenige natte waren'. Met een bakske werd daar l/8 liter aangeduid. 'Een bakske genever', verduidelijkt een West-Vlaams dialect woordenboek in 1873, 'is een dubbele dreupel. Er gaan vier bakskes in eene pinte, en twee maatjes in een bakske.'

In 1881 werd bak in Gent als borrel naam gesignaleerd, in 1908 sprak men in Oost-Vlaanderen van een bakske pakken, knippen of inslaan. Men zei ook iemand een bakske brengen voor 'op iemands welzijn drinken'. Een zuiplap werd in Vlaanderen wel een bakbeest genoemd - een verslinder van vele bakjes. Onder Wageningse studenten is onlangs de borrel naam wit bakkie gehoord.