Als
I.bw. van graad, in de platte spreektaal in de plaats van al: je bent als te goed ; dat is als te veel; ik voel mij niet als te wel; — als maar, steeds maar : het wordt als maar slechter; hij is als maar aan het schrijven. II. voegw., 1. vergelijkend, wijst een overeenkomst tussen twee met elkander vergeleken zaken aan (zwakker...