Wat is de betekenis van AFSPRAAK?

2019
2021-01-21
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

afspraak

afspraak - Zelfstandignaamwoord 1. een overeenkomst Er viel geen afspraak met hem te maken. 2. date De jongen maakte een afspraakje met het leuke meisje. Woordherkomst samenstelling van af en spraak Naamwoord van handeling van afspreke...

Lees verder
2018
2021-01-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

afspraak

afspraak - zelfstandig naamwoord uitspraak: af-spraak 1. wat je met elkaar hebt afgesproken ♢ we hebben op deze school de afspraak dat er niet wordt gepest 2. wat je met iemand hebt afgesproken ...

Lees verder
1950
2021-01-21
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Afspraak

v. (afspraken), mondelinge, bij uitbr. ook schriftelijke overeenkoming: een afspraak maken (met iem.), (mondeling) met hem overeenkomen omtrent hetgeen men van weerszijden doen zal; — zich aan een afspraak houden, handelen volgens hetgeen men afgesproken heeft; — volgens afspraak, volgens de (onze, hun enz.)...

Lees verder
1939
2021-01-21
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Afspraak

Overeenkomst, waaraan de tegenpartij zich houden moet.

1898
2021-01-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

AFSPRAAK

v. (afspraken), mondelinge of schriftelijke overeenkomst waarbij twee of meer personen onderling zich verbinden tot hetgeen vereischt wordt voor de uitvoering van een gezamenlijk beraamd plan of de vervulling van een gemeenschappelijken wensch: het was onmogelijk tot eene bepaalde afspraak met hem te komen; niet weten aan welke afspraak men zich mo...

Lees verder