Afbreken
(brak af, heeft en is afgebroken), 1. door breken scheiden of afzonderen: een tak van de boom, een bloem van haar steel afbreken ; 2. door breken knotten : de draad afbreken, een gedeelte afscheiden ; (fig.) de draad (van een verhaal) afbreken, het niet vervolgen ; — woorden af breken, in twee delen splitsen (aan...