Wat is de betekenis van AF?

2019
2021-01-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

af

af - Bijvoeglijk naamwoord 1. (tweeletterwoord) klaar, gereed Het werk is nog lang niet af. 2. ergens vandaan gaan Hij rent van het ongeluk af. 3. naar beneden gaan Hij rijdt van de berg af. af...

Lees verder
2018
2021-01-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

af

af - voorzetsel, bijwoord 1. ergens vandaan ♢ hij loopt de trap af 1. af en aan lopen [heen en weer lopen] 2. er hoeft niets meer aan gedaan te worden ...

Lees verder
2017
2021-01-19
Emanuel Damsteeg

Videofilmen; termen en begrippen (1992)

AF

Afkorting van autofocus (automatische scherpstel- ling).

1998
2021-01-19
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

af

Afwijzend. Als betekenis van een signaal. Zie ook: aan

Lees verder
1973
2021-01-19
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

af

af. bw., 1. geeft een verwijdering te kennen bij werkwoorden van beweging: hij kwam juist van de plaats des onheils af (af versterkt het begrip door van uitgedrukt); van zich af spreken, zijn mening doen gelden tegenover een ander, met kracht spreken; hoeden af!, afgenomen, afgezet; vlug, de ketel af!, afgezet; mijn kop af (afgeslagen), als hij het...

Lees verder
1950
2021-01-19
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Af

bw., 1. geeft een verwijdering te kennen bij werkw. van beweging : hij kwam juist van de plaats des onheils af, {af versterkt het begrip door van uitgedrukt); —van zich af spreken, zijn mening doen gelden tegenover een ander, met kracht spreken; — van zich af bijten, (fig.) (van mensen) bits bejegenen...

Lees verder
1898
2021-01-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Af

Het begrip af heeft 2 verschillende betekenissen: 1. af - AF bw. geeft eene verwijdering te kennen bij werkw. van beweging: hij kwam juist van de plaats des onheils af, (af versterkt het begrip door van uitgedrukt); — van zich af spreken. zijne meening doen gelden tegenover een ander, met kracht spreken; — van zich afbijten, (fig.) (...

Lees verder