(Fr. voor hindevoet)
1. bij meubels gebruikte benaming voor een poot van gebogen vorm die in een gespleten hoef eindigt. Afgeleid van oud-Griekse pootbeëindiging: werd veel toegepast in combinatie met een vroege vorm van de cabriole-poot. In de Franse literatuur wordt de naam ook vaak gebezigd ter aanduiding van de cabriolepoot in zijn geheel.
2. type lepel, gemaakt van zilver, tin en soms van messing, waarvan het uiteinde van de steel voorzien is van twee insnijdingen, en daardoor in drie delen is verdeeld, waarvan het middelste breder is dan de andere twee. De steel is plat en het uiteinde breed uitgehamerd. Steel en bak zijn doorgaans door middel van een naald met elkaar verbonden. Dit type lepel werd vanaf het midden van de 17de eeuw gemaakt. in later tijd werden de stelen soms met graveerwerk geornamenteerd.