XYZ van Amsterdam

Geschreven door J. Kruizinga Gerrit Vermeer, 2002

Gepubliceerd op 22-06-2018

Palingoproer

betekenis & definitie

Palingoproer - Het Palingoproer is een van die opstootjes die eigenlijk hun naam ontlenen aan een min of meer toevallige gebeurtenis, maar waarvan de oorzaak veel dieper ligt. Om de zaak goed te begrijpen, moeten we ons in gedachten verplaatsen naar de rumoerige tijd van het optreden van Domela Nieuwenhuis*. Deze “apostel der arbeiders", deze idealist, was gegrepen door de armoede van de toenmalige arbeiders en het onrecht dat ze werd aangedaan en wist hen door zijn vlammend woord, zijn bezielende kop en zijn meeslepende gebaren wakker te schudden en strijdbaar te maken. In een tijd, waarin inderdaad alles tegen de arbeiders scheen samen te spannen, was het logisch dat, onder invloed van deze redevoeringen, de haat van de bezitlozen zich keerde tegen alles wat gezag was. De feiten van dit oproer waren als volgt: in juli 1886 waren er vergaderingen geweest in het Volkspark*, waar Domela sprak.

Op die bijeenkomsten was het heet toegegaan; op 4 juli werd zelfs een schot op de commissaris van politie Stork gelost. Na de vergadering van zondag 25 juli trokken de deelnemers in optocht de stad in en kwamen terecht op de toen nog niet gedempte Lindengracht*. Daar waren Jordaners bezig met palingtrekken. Dat was een oude Amsterdamse "vermakelijkheid", echter toen al in jaren niet vertoond en bij de wet verboden. Boven de gracht hing, aan een touw, een dikke paling. De deelnemers aan de wedstrijd voeren in bootjes onder de paling door en moesten het dier van het touw aftrekken. Juist op die rumoerige zondagavond kwam inspecteur van politie J.M. Boas ter plaatse met enige agenten om een einde aan het palingtrekken te maken. Een agent sneed het touw door, de palingtrekkers verzetten zich en kregen hulp van de honderden die zojuist uit het Volkspark kwamen. De agent die het touw doorsneed, werd aangevallen en mishandeld, de menigte begon stenen naar de andere agenten te gooien.

Een inspecteur, J.K.W. Bosz, werd bijna te water gesmeten, maar kon door het ingrijpen van een man en een vrouw, F.J. Singels en de weduwe Christina Buurman-van der Woude, gered worden. Zij kregen daarvoor later een bronzen medaille met loffelijk getuigschrift. Meer agenten rukten aan, er werden charges gehouden, arrestaties verricht en de rust scheen weergekeerd. Op maandag begon het echter opnieuw. Overal in de Jordaan werden de straten opgebroken, op de Zaterdagse brug* over de Lindengracht werd een barricade met een rode en zwarte vlag opgericht. Ook elders kwamen barricaden en de toestand liet zich ernstig aanzien, ook al waren er in de Jordaan nog tegenstanders genoeg van de "rooien". Jacob en Leendert Mens bijvoorbeeld, "de zonen van den Bokkebek", zoals hun vader, een vurige Oranjeklant, genoemd werd. Deze jongens smeten de vlaggen van de Zaterdagse brug in het water.

Maar daarmee was het niet afgelopen. Een afdeling huzaren en 200 man artillerie trokken de Jordaan in. De eerste pelotons die de barricaden moesten opruimen, werden zo hevig met stenen bekogeld, o.a. in de Eerste Boomdwarsstraat, dat zij zich moesten terugtrekken. Toen, na vele sommaties, was het uiteindelijk nodig dat de militairen tot daden overgingen. Er werd geschoten, er werden charges met de blanke sabel uitgevoerd. De bevolking stond op de daken en smeet met alles wat los- en vastzat, de huzaren en infanteristen schoten, het was een complete opstand, die tot omstreeks 11 uur in de morgen duurde. Toen waren er zestien doden, een getal dat door het overlijden van gewonden nog steeg tot 25.

Vooral in de Lindenstraat, Anjeliersstraat, Tuinstraat en Prinsenstraat waren slachtoffers gevallen. Vele gewonden waren er: 40 zwaar en 100 licht. Politie en militairen hadden geen doden, wel enkele zwaar gewonden. Dagenlang trok nog een sterke macht door de stad. Op 19 punten van de stad waren sterke wachten van infanterie, kanonniers, mariniers en huzaren; 3.000 man uit omliggende plaatsen hielden zich gereed, in de Noorderkerk en het Paleis op de Dam lagen militairen. Maar de korte opstand was al bedwongen, de arbeiders gingen weer aan het werk. Het zou nog jaren duren, eer hun emancipatie op minder bloedige wijze zou kunnen verlopen.

LIT. Dr J.M. Fuchs, Amsterdam, een lastige stad, 1970; C.A. Davids, De Amsterdamse dierenbeschermers en het Palingoproer, O.A. 1983, 122;

P. de Rooy, Een revolutie die voorbijging, 1991.