Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Maatjesharing

betekenis & definitie

Jonge haring zonder hom of kuit (Fr. hareng vierge), die in Juni gevangen wordt. De haringvangst regelt zich naar den trek van de haring.

Vóór Juni, soms reeds in April, schoolt deze ter hoogte van de Shetlandsche eilanden. De beugvisschers vangen deze onrijpe haring in kolnetten (kol is een soort hennep), en gebruiken ze als aas voor de beug. Hetgeen zij van dat aas overhouden, wordt licht gezouten en aan den wal gebracht. Men noemt die jonge haring koolmaatjes. Van de Shetlandsche eilanden trekt de haring langs de Schotsche kust en wordt daar dan gevangen door de Engelschen. Die haring is nog steeds niet rijp; ze wordt Schotsche haring genoemd.

In Juni is de visch volwassen en bij de Doggersbank aangekomen, waar de Hollanders visschen. Ze is dan het fijnst van smaak. Het is gebruik, dat de visschers van deze pas gevangen, licht gezouten, jonge, rijpe haring een proeve aan de Koningin aanbieden.