(17e eeuw, vero.) afranselen. Reeds bij Bredero (1615): “Ick sech niet meer, ick sal hem flux opt vleys touwen.”
• Vraagt gy, wanneer de schout uw bont voor 't best quam schouwen
Toen Meester Hans uw vel, om 't bont, met roên wou touwen. (Jan Vos: Alle de gedichten. 1662)
• Is dat die Ferdinangd die mit men kynd wil trouwen
En die een knecht had die me lustig of quam touwen… (Pieter Langendijk: De gedichten. Deel 2. 1760)
• Soo mach hy hem dan met een voor 't ghelach houwen:
Of hem de huyt vol slagen geven, 'k wou ick hem al sach touwen. (Samuel Coster: Werken. 1883)
• Ic sal haer touwen soe haer vel,
Dat haer rouwen sal dit spel… (P. Leendertz Middelnederlandsche dramatische poëzie. 1907)
• Voor slaan en afranselen-, afdekken, afdrogen, afklauwen, afkloppen, afrossen, afsmeren, aftouwen, aftuigen, dokken (Wolff en Deken), dossen, doezen (Z.-Ned.), flenzen, kletsen (o.a. Hooft), kleunen, klinken, knelis- of krelisduyvelen, krelissen, knokken, peulen (Coster), peuluwen, piekharen (Rusting), poenen (Z.-Ned.), priegelen (Halma), touwen. Verder uitdrukkingen als: op z’n huid, z’n ziel, z’n donder, z’n tabernakel geven 1), van katoen geven 2), van de taart geven 3 ), troef geven 4 ), zijn vet geven 5 ), lange haver geven, op z’n mieter geven, het jak uitvegen, op de pogchel kloppen, van den opslag geven (Halma), de ribben smeren (Halma), met vuisten toedekken (Halma), op den bek trommelen (Sewel), een houten rok aanpassen (N. Heinsius), het vel verwarmen (N. Heinsius), de rug schuren (Langendijk). (C.G.N. De Vooys: Oorsprong, eigenaardigheden en verbreiding van Nederlands "slang". 1940)
• Toen Potgieter en Bakhuizen van den Brink de Pestilentie te Katwijk van hun jonggestorven vriend voltooiden, gingen ze op dezelfde weg voort. De Warenar en het Moortje konden daarbij goede diensten bewijzen, terwijl Bakhuizen een van zijn personen zelfs de gestileerde taal van Hooft's Historiën in de mond legt. In de gesprekken komen tal van woorden en zelfs zinnetjes voor, die voor de moderne lezer opheldering vereisen, bijv. nechtig (ijverig), redjement (herrie), touwen (afranselen), vliegen vangen (slaag krijgen), buis (dronken), blauwe bloemen (verzinsels), leutert u de kei (ben je gek), enz. Er komen ook vergissingen voor, door onjuiste opvatting van een plaats bij Hooft of Bredero, bijv. veraassaken (verspelen), treusneusen dat bedriegen moest betekenen, en een telkens gebruikte nominatief dij, geabstraheerd uit een enclitische vorm hebdi. (C.G.N. de Vooys: Geschiedenis van de Nederlandse taal. 1970)
• touwen (aftouwen) ‘afranselen’; eigenlijk ‘leer bereiden’. De betekenis ‘afranselen’ ontstond via de uitdrukking iemand de huid touwen. (Nicoline van der Sijs in Onze Taal. Jaargang 72. 2003)