Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 30-07-2021

Jan

betekenis & definitie

1) (19e eeuw, vero.) ober, kelner.

• Jan werd in de volkstaal van ouds en oorspronkelijk gebezigd om een persoonlijkheid, welke dan ook, uit te drukken, en in de plaats te staan voor elken naam, dien men niet kende of niet verkoos te noemen: van daar noemde men en noemt men nog bij ons elken knecht in herberg of koffiehuis Jan. De Oost-Indische Compagnie werd Jan Compagnie, de matroos Janmaat, zijn mes Kortjan, een flaauwe vent Jan Salie of Jan Hen en 't kanalje Jan Rap. (Jan ter Gouw, Jacob van Lennep: De uithangteekens. In verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. 2 delen. 1867-1869)
•'t Was bepaald een eenig type die "Jan" -'t woord kellner was toen nog niet zoo in de mode. (Justus van Maurik: Toen ik nog jong was. 1901)
• Nog een cognacje, Jan... (Rinus Ferdinandusse: De zoon van ouwe klare. 1969)

2) (1908) (beurs) het publiek; het hele land buiten Amsterdam. Het WNT citeert Vivat's geïllustreerde Encyclopedie. (Verklarend en beschrijvend Woordenboek naar de nieuwste bronnen bewerkt door J. Kramer met medew. van een groep bevoegde deskundigen. 11 dln. 1900-'08).

• Aan de voornaamste vreemde beursen worden öf de koerssn vastgesteld door beëedlgde makelaars óf de geheele koersloop wordt zoodanig opgenomen en gopabliceerd dat ieder vrij precies de koersen kan controleeren, terwijl hier alleen de hoogste en laagste koers wordt vermeld, tengevolge waarvan hot publiek (in beurstaal „Jan* genaamd) meestal middenkoers wenscht verantwoord te zien. (Soerabaijasch handelsblad, 31/01/1908)
• Jan: (Amsterdam) benaming voor 't publiek op de beurs. (Jac. van Ginneken: Handboek der Nederlandsche taal. Deel II. De sociologische structuur onzer taal II. 1914)
• Jan: beursterm, menende het hele land buiten Amsterdam: 'Jan heeft die lening overgenomen'. Houdt wel verband met 'Jan en alleman' (js). (Jan Stroop: Burgerlijk Amsterdams. In: Honderd jaar stadstaal. 1999)

3) (19e eeuw) (sch.) (meestal verkleinvorm) mannelijk lid. Vaak met de toevoeging 'zonder handjes'. Aantekening van Boekenoogen. Vgl. Eng. slang: John.

• (Enno Endt: Een taal van horen zeggen: Bargoens en andere ongeschreven sterke taal. 1969)
• (Enno Endt & Lieneke Frerichs: Bargoens Woordenboek. 1974)
• (Hans Heestermans: Erotisch Woordenboek. 1980)
• “De mijne is nog groter.” De jongen naast hem wees op zijn kruis. “Hier noemen ze me het kleine knaapje met het grote Jantje.” (Haagse Post, 06/12/1991)
• Pik, piemel, lul, jongeheer, haan, jan, leuter, snikkel, slak, paal, piel, tamp. Hijzelf had een plasser. (Kees van Beijnum: Dichter op de Zeedijk. 1995)
• Veel Limburgse woorden voor ‘penis’ zijn metaforen, gebaseerd op een overeenkomst in de vorm: knuppel, lat, staart, fluit, frietje, trompet, geweer... Sommige varianten verwijzen naar het gebruik van de penis: pisser, plasser, zeiker, dikmaker (je kunt er een vrouw mee zwanger maken). Andere varianten verwijzen naar het grotere geheel waar het een onderdeel van is: mannetje, jongeheer, kerel, heer. Soms volstaat een persoonsnaam: jan, jantje, charel, willem. De vergelijking met een vogel is ook een mogelijkheid. In de Middeleeuwen werd de penis graag vergeleken met een nachtegaal, in Limburg is de piemel in sommige dorpen een mus, vogel, koekoek of papegaai. Weer andere varianten kiezen juist voor maximale vaagheid: ding, dingetje. (NRC Handelsblad, 20/01/2017)
• (Piet van Sterkenburg: Rot zelf lekker op. Over politiek incorrect en ander ongepast taalgebruik. 2019)

4) (18e eeuw) (inf.) Nederlandse matroos; lid van de Nederlandse marine. Meestal als verkleinvorm: Jantje. 'De Jantjes' was de titel van de eerste Nederlandse speelfilm. Het WNT citeert o.a. Thirsis Minnewit (Bestaande in een versameling der moyste Minnezangen en Voysen. 3 dln. 1ste dl. Amst., 1728; 2de en 3de dl. Amst., 1726). De Britse tegenhanger noemt 'Jack'.

• Ik ben nog blij, dat niet een van die driftige Jantjes me in de gaten heeft gekregen. (Joh. H. Been: Paddeltje, de scheepsjongen van Michiel de Ruijter. 1908)
• Z.M. is heel eigen met z'n Jantjes, niks niet grootsch. (Justus van Maurik: Stille menschen. z.j. 1909)
• 't Was waarlijk een alleraardigste groep, die soldaten van allerlei nationaliteit - er zijn Duitschers, Hongaren, Belgen en Zwitsers onder de aangeworvenen - babbelend, lachend, neuriënd, dansend en pretmakend met de stokers en de Jantjes, die op dat oogenblik niets te doen hadden. (Justus van Maurik: Op reis en thuis. 1912)
• Hier dook onverwacht Joden Jet op met dronken Jantjes, tusschen het oorverscheurend geraas van groote trom en harmonica. (Israël Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 2: Van Nes en Zeedijk. Tiende druk. Eerste druk 1914)
• Jongelui, al zijn wij maar doodgewone Jantjes, we zalle je toch late zien alsdat wij heel goed weten, hoe het hoort en dat we netjes en fesoendelijk weten mee te doen. (Chr. Van Abkoude: De waterratten. Het waterkamp op de Friesche meren. 2e druk. 1918)
• Op zijn laatste thuisreis nog, toen zij een halven dag van Falmouth af waren, kregen de jantjes een draadloos bericht, dat zij naar Noorwegen moesten gaan, omdat er zes Hollandsche schepen in den grond waren geboord. (Israël Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 3: Manus Peet. 1922)
• Dat zijn de jantjes met de branie kraag, / De boy's met de buisies / En stevige vuisies, / Die zien onze meide allemaal even graag. (Louis Davids: Dat zijn onze Jantjes. 1923)
• Een oorlogsschip, denkt hij spottend, - van twintig jaar oud, dat bij oorlog in den grond wordt geschoten eer het de vijand zelfs gezien heeft. Maar met vlaggen en wimpels en fleurige Jantjes. (Jef Last: Zuiderzee. 1934)
• ‘Hoezee,’ juichen de jantjes. (K. Norel: Engelandvaarders. 1945)
• … hetweldoorvoede uiterlijk van enkele Jantjes… (Johan Fabricius: Hoe ik Indië terugvond. 1947)
• In deze stad van bomtrechters, stukgeslagen huizen en ruïnes, zijn de „Jannen", gaan passagieren. (Limburgsch dagblad, 31/05/1950)
• We hadden officieren en Jannen, die popelden om de Jap eens iets terug te geven. (Piet Bakker: De slag in de Javazee. 1951)
• De Jannen schransen en als er na de eerste gang nog een restje over is, vliegen ze elkander daarom bijna in de haren. (K. Norel: Bij de marine. 1956)
• Quick had wonderbaarlijk avontuurlijk geleefd. Daarom zal hij wel geen Hollander geweest zijn. Misschien toch wel Canadees, zoals hij weleens verteld had. Maar hij was ook in Alaska geweest en in Durban, in Hongkong en in Constantinopel. Hij was ook Jan geweest, dus koloniaal, en had in Atjeh een donderbusschot in zijn poot gekregen... (Vincent Mahieu: Tjies. 1958)
• Vroeger, vóór de oorlog, noemden de mannen van de koopvaardij de marinemensen opvreters die teerden op belastinggeld, halve zeelui die nooit voeren, en scholden de Jantjes van hun kant op de vuilpoetsen van de ouwe tramps. (K. Norel: Vliegers in het vuur. 1963)
• Nu en dan keerden er een paar 'Jannen' van de pasar terug. (Johan Fabricius: Hopheisa, in regen en wind. 1964)
• Bij de vliegende schuitjes stonden kermiskerels als Jantjes verkleed: gemene tronies, door joviale matrozenkragen omlijst. (Johan Fabricius: Het meisje met de blauwe hoed. 1974)
• Moet je je voorstellen: Hollandse Jannen gingen in zo'n log gevaarte roeiwedstrijden houden om het Vrijheidsbeeld. (Nieuwe Revu, 20/12/1995)
• Waarom onze Jantjes op de Antillen bijklussen in de cocaïne kan-ie ook al niet uitleggen. (Nieuwe Revu, 15/07/1998)
• Die Engelse jantjes kunnen wel beweren dat ze de zee schoonvegen, maar wij zijn keer op keer de klos... (Conny Braam: De onweerstaanbare bastaard. 2002)
• Vandaar dat ik mij totaal niet druk maakte over het feit dat de vrouwen in de marine ook gingen varen. Ik dacht eerlijk gezegd dat er naast de Jannen allang Jannekes op zee zaten. (Mies Bouwman: Gewoon Mies. 2017)