(19e eeuw) (Vlaanderen, inf.) de sukkel; het slachtoffer; de pineut*.
• Den duts zijn (in 't gezelschap): den uil (of den aap, het schaap) van het spel zijn, den zakkendrager zijn, het gelag (of de ballen) moeten betalen, het keersken uitblazen. (Amaat Honoraat Joos: Schatten uit de volkstaal. 1887)
• Bedrogen worden. Hij is de uil van ’t spel. (H. Mullebrouck: Vlaamse volkstaal. 1984)