Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Aristoteles

betekenis & definitie

384-322 v. Chr. Leerling van Plato , bereisde na diens dood het gebied rond de Aegeïsche zee (hij was in die tijd leraar van Alexander de Grote), en stichtte vervolgens het Lyceum in Athene (335, vanwege Aristoteles’ gewoonte om al rondwandelend (peripatein) te doceren vaak de ‘Peripatetische school’ genoemd).

Zijn belangstelling was encyclopedisch, en hij heeft bijgedragen tot de meeste hoofdtakken van de filosofie en de natuurwetenschap, terwijl hij aan de wieg stond van de systematische beoefening der logica. Enkele van zijn belangrijkste nu nog belangwekkende werken zijn het Organum (een reeks verhandelingen voornamelijk over logica), Metaphysica, De anima (Over de ziel), Ethica Nicomachaea, Politica, Poëtica (fragmentarisch).Zieook Albertus Magnus.A priori,Augustinus,Bacon, betekenis, Brentano, categorieën, causaliteit, dialectiek, differentie, eigenschap, elenchus,entelechie, ethiek, functie, (bibliografie, laatste titel), goed, logica, meerduidigheid, metafysica, modaliteiten, neoplatonisme, Ockham, politiek, rede, ruimte, Scotus, Socrates, substantie, syllogisme, Thomas van Aquino, transcendentale argumenten, universalia, verklaring, volheid, vorm, vrije wil, waarheid, wilszwakte, zeno (paradoxen van).