Waarzeggerij betekenis & definitie

Waarzeggerij noemt men in het algemeen de voorspelling van toekomstige gebeurtenissen. Op godsdienstig gebied bezigt men dan ook het woord voorspelling en beschouwt men deze als de vrucht van eene hoogere mededeeling, van eene bovennatuurlijke ingeving, terwijl men het aanwenden van geheime kunsten, om tot de kennis van verborgenheden of van toekomstige gebeurtenissen te geraken, met den naam van waarzeggerij bestempelt. De zucht, om zich aangaande toekomstige gebeurtenissen te vergewissen, is van ouds bij alle volken de grondslag geweest van het geloof aan voorspelling en waarzeggerij, en bij de overtuiging, dat men zelf niet bij magte was, in de duisternis der toekomst door te dringen, schreef men dat vermogen toe aan menschen, die als uitverkorenen der Godheid werden beschouwd. Dat de mensch zoodanig vermogen bezitten kon, werd te minder betwijfeld, naarmate de kennis der natuur geringer en de trap van verlichting en beschaving lager was.

Hoewel de waarzeggerij onder de Israëlieten verboden was, raadpleegde Saul de waarzegster (tooveres) van Endor. Voorts bragten de Israëlieten uit de Babylonische ballingschap Chaldeeuwsche denkbeelden mede omtrent het verband tusschen den loop en den stand der sterren en de lotgevallen der menschen. Ook uit het naburige Perzië verschenen waarzeggers en droomenverklaarders. Men raadpleegde doodenbezweerders en sterrewigchelaars en ontleende aanwijzingen omtrent de toekomst uit de ingewanden der offerdieren, het lot en de waarneming van bepaalde schepselen, inzonderheid van slangen. Later werd de bediening van profeet eene soort van openbaar leeraarsambt, en wie het bekleedde, zocht op het geweten en gemoed des volks te werken door het voorspellen van eene rampzalige of zegenrijke toekomst. Bij de Grieken maakte de waarzeggerij een deel uit der staatsgodsdienst. zij huldigden Apóllo als den god der waarzeggerij en gehoorzaamden zelfs in staatsaangelegenheden aan de uitspraken zijner priesters (zie Orakel). Ook Orpheus, Trophonius en Aesculapius werden als voorspellende godheden en Melampus als de stamvader van een profetengeslacht beschouwd. Niet zelden waren vrouwen, die men door opwekkende middelen in geestvervoering bragt, de verkondigsters der toekomst, ja, bij de Grieken en Romeinen werd, bijv.

bij Plato en Cícero, de gave der profetie als eene soort van heilige waanzinnigheid voorgesteld. Bij de Romeinen waren de waarzeggers onder de namen van augures en haruspices geruimen tijd staatsambtenaren, en hunne voorspellingen uit de vlugt en het eten der vogels, uit de ingewanden der offerdieren en uit onderscheidene verschijnselen der natuur behoorden tot de openbare eeredienst. Ook in lateren tijd, toen het gezag dier waarzeggers aanmerkelijk was gedaald, bleven zij werktuigen der overweldigers, om invloed te oefenen op het volk, en keizer Claudius wist een Senaatsbesluit uit te lokken ter herstelling van dien tak van eeredienst. In nog latere tijden was de kunst der waarzeggerij er in handen van Israëlieten en Chaldaeërs. Door de Germaansche en Celtische stammen werd de gave der voorspelling vooral toegekend aan de vrouwen, waarvan men slechts enkele voorbeelden aantreft bij de Grieken en Romeinen, zooals Cassandra en de Sibyllen. In Skandinavië waren de priesteressen tevens waarzegsters. De kunst der voorspelling was eerst bij de Wanen, maar kwam door Freya in het bezit der Asen. Daar de voorzeggingen goed en kwaad konden wezen, hadden zij een verschillenden oorsprong; de eerste waren afkomstig van de goden, de tweede van de reuzen.

Bij deze laatsten droegen de waarzegsters den naam van Völu’s, bij de goden dien van Nornen en Walkyriën. De Skandinaviërs waagden zich aan geene belangrijke onderneming zonder hunne toevlugt te nemen tot de waarzeggerij, en deze gewoonte bleef nog bestaan na de invoering van het Christendom. Ook de Germanen hechtten veel gewigt aan voorzeggingen; bij hen vinden wij Velleda, de Alrunen en andere waarzegsters vermeld. Hun geloof aan hoogere beschikkingen blijkt wijders uit hun vertrouwen op voorteekens, op het lot, op godsgerigten en tweegevechten. Voorts ontleenden zij voorspellingen aan den loop, het brieschen enz. van hunne heilige paarden, aan het geschreeuw en de vlugt van vogels, vooral bij ziekten, aan het bloed en de ingewanden der offerdieren en aan het water, bepaaldelijk aan het wervelen en ruischen der rivieren.

Tevens legden zij zich toe op de verklaring van droomen. Te vergeefs poogde het Christendom deze voorspellingen uit den weg te ruimen; men bezigde zelfs Christelijke boeken, om daaraan voorzeggingen te ontleenen en beriep zich op den bijbel, om het christelijke aan te toonen der chiromantie (waarzeggerij uit de handpalm), welke op onderscheidene hoogescholen onderwezen werd. De oude godgeleerden bleven nog een groot gewigt hechten aan de profetiën des bijbels, doch de jongere plaatsen ze naast de wonderen en beschouwen ze uit hetzelfde oogpunt. Niettemin deden de Zigeuners de waarzeggerij in ons werelddeel herleven, en nog zijn er velen, die in het vroegere bijgeloof volharden; zij gelooven namelijk aan voorteekens, aan het tweede gezigt, aan het kaartleggen, aan waarzeggerij uit koffijdik en dergelijke ongerijmdheden meer.

Nergens echter is de kunst der waarzeggerij zoo in aanzien als bij de Heidensche volken; hunne waarzeggers zijn tevens priesters en toovenaars, en de invloed van deze is verbazend groot, omdat hunne landgenooten zich op zoo lagen trap van ontwikkeling bevinden, dat zij alle onverklaarbare verschijnselen als voorteekens beschouwen.

Laatst bijgewerkt 20-08-2018