vlees betekenis & definitie

vlees - Zelfstandignaamwoord
1. (anatomie) spierweefsel van bepaalde organen
2. (voeding) spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding

vlees - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlezen
♢ Ik vlees
2. gebiedende wijs van vlezen
vlees!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlezen
vlees je?