gaan betekenis & definitie

gaan - Werkwoord
1. ergatief zich in een bepaalde richting bewegen, meestal van de spreker af
Hij ging naar Amerika.
2. mogelijk zijn
Dat gaat niet.
3. (auxl) vormt een onmiddellijke toekomende tijd
En nu ga ik slapen.

Woordherkomst
afkomstig van:
Middelnederlands: gaen, gaan, ghan, ganghen
Oudernederlands: gān
Germaans: *gānan
Indo-Europees: *ǵʰēh₁-

Gepubliceerd op 14-11-2017