2019-10-23

deel

deel - Zelfstandignaamwoord 1. een afsplitsing van een hoeveelheid, maat of gewicht, van een geheel waarbij samenstelling, functies of eigenschappen gelijk zijn of buiten beschouwing blijven (kenmerkend is dat de soortnaam van het geheel en de afgesplitsing gelijk is)     ♢ Een deel van een pak suiker. 2. een meeteenheid bij vloeistoffen en stoffen in poedervorm     ♢ metselspecie is een mengsel van één deel bind...

2019-10-23

Deel

Een deel is een aantal in boekvorm genaaide of gebonden bladen of katernen. Deze definitie is gelijkluidend aan N.A.T. nr. 8.

2019-10-23

deel

deel - zelfstandig naamwoord 1. wat kleiner is dan het totaal ♢ je krijgt ook een deel van de winst 1. de edele delen [geslachtsorganen] 2. ten dele [gedeeltelijk] 3. ergens deel van uitmaken [erbij horen]

2019-10-23

Deel

Het deel is een onderdeel van het stukindentificatienummer dat de opbergeenheid voor het register Hypotheken 3 of register Hypotheken 4 aangeeft.

2019-10-23

deel

mannelijk lid. Een verkorting van herendeel3'. Even vaag en nietszeggend als ding*. Eigenlijk: iets waarvan men de naam niet kent of waarvan men de naam niet wil noemen. Uit de context moet blijken dat het om een lichaamsdeel gaat. Vgl. lid* en edele* delen. Vgl. het Engelse ‘member’, dat in dezelfde zin gebruikt wordt. Haar verkrachter borg zijn deel op, knikte (wat haar ondanks alles deed glimlachen), maakte haar zwijgend los en liep naar de deur. Lydia Rood: Beter. Dank je. 1996...

2019-10-23

Deel

zie Flank.

2019-10-23

Deel

Deel - 1° → Boerderij. 2° Delen of planken zijn reepen hout, welke uit de volle breedte van een boomstam gezaagd en dunner zijn dan 5 cm. Dikkere noemt men in den houthandel platen. Zij komen gekantrecht en ongekantrecht voor, d.w.z. aan de zijkanten al of niet rechthoekig afgezaagd. Planken dunner dan 15 mm heeten snee-delen. De buitenste stukken van een aan planken gezaagden boomstam heeten schaaldelen of achterdelen. Oeverhaus.

2019-10-23

Deel

zie Aandeel.