2020-01-27

DEEL

a. naam voor enkele wateren (Oudfr. dela, delven); b. oude aanduiding voor een grietenij, nu nog voortlevend in vele namen van Fr. gemeenten. Mogelijk wijst dit woord op ‘onderdeel van een groter geheel’, bijv. van een district, zie Delf. Zie: Fr. Plaknammen VIII (1956), 61; Winkler, Naamlijst, 60; Schönfeld, Waternamen, 175-176. Deelsboeken of procuratieboeken. Tijdens de Republiek de kern van de grietenij-administratie. Hierin meestal de rekeningen der D. -kosten, de akten v...

2020-01-27

Deel

Het deel is een onderdeel van het stukindentificatienummer dat de opbergeenheid voor het register Hypotheken 3 of register Hypotheken 4 aangeeft.

2020-01-27

Deel

Een deel is een aantal in boekvorm genaaide of gebonden bladen of katernen. Deze definitie is gelijkluidend aan N.A.T. nr. 8.

2020-01-27

Deel

zie Flank.

2020-01-27

Deel

zie Aandeel.

2020-01-27

Deel

Deel - 1° → Boerderij. 2° Delen of planken zijn reepen hout, welke uit de volle breedte van een boomstam gezaagd en dunner zijn dan 5 cm. Dikkere noemt men in den houthandel platen. Zij komen gekantrecht en ongekantrecht voor, d.w.z. aan de zijkanten al of niet rechthoekig afgezaagd. Planken dunner dan 15 mm heeten snee-delen. De buitenste stukken van een aan planken gezaagden boomstam heeten schaaldelen of achterdelen. Oeverhaus.

2020-01-27

deel

deel - zelfstandig naamwoord 1. wat kleiner is dan het totaal ♢ je krijgt ook een deel van de winst 1. de edele delen [geslachtsorganen] 2. ten dele [gedeeltelijk] 3. ergens deel van uitmaken [erbij horen]

2020-01-27

deel

deel - Zelfstandignaamwoord 1. een afsplitsing van een hoeveelheid, maat of gewicht, van een geheel waarbij samenstelling, functies of eigenschappen gelijk zijn of buiten beschouwing blijven (kenmerkend is dat de soortnaam van het geheel en de afgesplitsing gelijk is)     ♢ Een deel van een pak suiker. 2. een meeteenheid bij vloeistoffen en stoffen in poedervorm     ♢ metselspecie is een mengsel van één deel bind...

2020-01-27

deel

mannelijk lid. Een verkorting van herendeel3'. Even vaag en nietszeggend als ding*. Eigenlijk: iets waarvan men de naam niet kent of waarvan men de naam niet wil noemen. Uit de context moet blijken dat het om een lichaamsdeel gaat. Vgl. lid* en edele* delen. Vgl. het Engelse ‘member’, dat in dezelfde zin gebruikt wordt. Haar verkrachter borg zijn deel op, knikte (wat haar ondanks alles deed glimlachen), maakte haar zwijgend los en liep naar de deur. Lydia Rood: Beter. Dank je. 1996...

2019-04-28

Deel — lid

Beide woorden duiden een grooter of kleiner gedeelte van een geheel aan. Deel drukt alleen de betrekking tot het geheel uit. Onder lid verstaat men een afgerond deel van een grooter geheel, dat op zichzelf een geheel is, of waaraan eene bepaalde taak is toegewezen, dat het geheel dus zijne functiën helpt verrichten, maar dat tot op zekere hoogte ook eigen bestaan kan hebben. Men spreekt van een lichaamsdeel en men zegt geen lid van zijn lichaam dat niet rilde. Lid wordt bij uitbreiding geze...

2019-01-17

Aliquot deel

Aliquot deel - (Pars aliquota), evenmatig deel.

2017-09-07

Expressief deel

Expressief deel - (of zelf-expressief deel) dat in een boodschap dat iets zegt over hoe de zender zichzelf ziet.

2017-01-20

Beschikbaar deel

Het beschikbare deel is een deel uit de zogenaamde “fictieve massa”. Het beschikbare deel omvat zowel het totaal van het roerend als van het onroerend vermogen van de overledene. Het is het deel dat niet gereserveerd is voor de “reservataire erfgenamen”. De erflater kan over dit beschikbare deel dus vrij beschikken.

2017-10-03

deel toe

deel toe - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toedelen|deel (…) toe     * Ik deel toe 2. gebiedende wijs van toedelen|deel (…) toe     * deel toe! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toedelen|deel (…) toe     * deel toe je? Woordherkomst uit deel (werkwoord) en toe(bijwoord), hiertussen kunnen nog andere woorden staan

2017-10-03

deel rond

deel rond - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ronddelen     * Ik deel rond 2. gebiedende wijs van ronddelen     * deel rond! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ronddelen     * deel rond je?

2019-04-28

Deel — dorschvloer

Deel is de bodem, de vloer van de schuur of den stal bij den boer in zijn geheel, terwijl de dorschvloer meer bepaald het harde gedeelte van de deel is, waarop het koorn kan gedorscht worden.

2018-09-02

1. deel

1. DEEL, o. (-en), wat kleiner is dan een geheel: een geheel is altijd grooter dan een zijner deelen; — een werk in vijf deelen, boekdeelen; — hij moet zijn deel van de winst hebben, ’t gedeelte der winst, dat hem toekomt, zijn aandeel; — deel aan iets nemen, er belangstelling voor gevoelen; — deel aan iets hebben, erbij betrokken zijn; — hij heeft er part noch deel aan, is er niet bij betrokken, is er volkomen onschuldig aan; deel nemen in iets, zie DEELNEMEN; — ten deel vallen, a...

2018-08-17

geheime deel

Geslachtsorgaan. Een in de jaren zestig opgekomen eufemisme (bedacht door Reve?). Reeds opgenomen door Broersma. Eveneens in het Engels (zij het enkel in het meervoud): ‘secret parts’ (reeds bij Shakespeare, Hamlet). Voor de geslachtsdelen kende men in vroeger eeuwen al de versluierende benamingen ‘edele’ of ‘heilige delen’. Zie ook ‘deel”’ en ‘herendeel”’. Ik denk veel aan je en beroer onophoudelijk mijn Geheime Deel... Gerard Reve: Brieven aan geschoolde arbeiders....

2019-01-17

Aliquant deel

Aliquant deel - (Pars aliquanta), niet-evenmatig deel.

2019-06-08

uitgeslagen deel

uitgeslagen deel - Schuine doorsneden die zijn bedoeld om de juiste vorm van een schuin vlak in een structuur of voorwerp te laten zien.