Advent betekenis & definitie

Advent noemde men vroeger het feest van Kerstmis als zijnde de komst van den Messias (van 't Lat.: adventus = komst, vgl. 't Fransche avenir). Sedert de Vile eeuw bedoelt men daarmede de vier weken, die Kerstmis voorafgaan, en die dienen als voorbereidingstijd tot het feest van Jezus' geboorte.

De adventstijd duurt in de Griekse kerk 40 dagen, in de R.-Katholieke en de Protestantsche kerk vier weken. (Valt echter 25 Dec. zelf op een Zondag, dan zijn er maar 3 Adventszondagen.) Reeds op de synode van Lerida (524) wordt er van de adventsviering gesproken. Voor de R.-K. Kerk is de Advent het begin van het kerkelijk jaar. De eerste Zondag is die, welke volgt op den 26en November. Onder den H. Gregorius duurde hij vijf, volgens den Ă„mbrosiaansen ritus zes weken; in de Capitularia van Karel den Grooten spreekt men van veertig dagen.