Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Luchten

betekenis & definitie

I. (luchtte, heeft gelucht),

1. aan de frisse lucht blootstellen, frisse lucht laten spoelen door: bieren luchten: de hamers luchten; het koren luchten;
2. (wijnvaten, wijn) met gezwaveld doek beroken;
3. lucht geven aan, uiten: zijn hart luchten, uitstorten, zeggen wat op het hart ligt; — zijn kennis luchten, laten horen wat men weet;
4. (onoverg.) ter opfrissing aan de buitenlucht blootgesteld zijn: een kleedje dat lang niet had gelucht;
5. de lucht krijgen van (van jachthonden);
6. ruiken, alleen in de zegsw. iem. of iets niet kunnen luchten, niet kunnen luchten of zien, luchten of lijden, niet kunnen dulden, uitstaan.

II. (heeft gelucht), (gew.)

1. licht verspreiden ; — (oneig.) blinken, schitteren;
2. (een licht) doen schijnen; — (iem.) bijlichten.