Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Alkestis & Admetos

betekenis & definitie

Alkestis is de dochter van de koning van Iolkos, Pelias, en van Anaxibia; Admetos is de zoon van Pheres, de koning van het gelijknamige koninkrijk Pheres, en van Peri-klymene. Nadat Admetos zijn vader is opgevolgd, doet Apollo, door Zeus ertoe veroordeeld zich gedurende een jaar te onderschikken aan een mens, bij hem dienst als veehoeder. Admetos toont zich tegenover de god een goed meester en tussen hen ontstaat vriendschap. Apollo laat het vee van Admetos gedijen en helpt hem ook de hand te veroveren van Alkestis. Hij slaagt erin een moeilijke opdracht van Alkestis’ vader op te lossen en spant een leeuw en een wild zwijn voor een wagen. Tijdens het bruiloftsmaal vergeet Admetos, aldus Homeros en Plato, een offer aan Artemis te brengen, die daarop slangen in zijn slaapvertrek zendt als voorteken van zijn nabije dood. Apollo krijgt van de schikgodinnen, de Moiren, gedaan dat ze zijn gunsteling Admetos, als diens uur geslagen heeft, zullen laten voort-leven, mits deze iemand bereid vindt in zijn plaats te sterven.

Wanneer Admetos’ tijd gekomen is, zoekt hij vergeefs een vervanger, totdat zijn vrouw Alkestis zich bereid verklaart voor hem te sterven. Zij sterft dan inderdaad, maar Herakles, op die fatale dag te gast in het paleis van Admetos, slaagt erin haar terug te halen uit het dodenrijk door haar in een worsteling te ontrukken aan de Dood (Thana-tos) en haar gesluierd terug te voeren naar Admetos. Volgens een andere versie laat de godin van de onderwereld Persephone, eigener beweging, want ontroerd door de offerbereidheid van Alkes-tis, haar terugkeren naar het rijk der levenden.

De zelfopoffering van Alkestis, de aanvaarding daarvan door Admetos en de worsteling van Herakles met de Dood vormen de stof van Euripides’ Alkestis. Euripides geeft niet de beslissende dialoog tussen de echtgenoten, maar doet uitkomen dat Admetos vóór de bereidverklaring van Alkestis tevergeefs heeft gezocht in de kring van zijn familieleden. Hij verwijt zijn oude vader Pheres dat deze de luttele jaren die hem resten niet heeft willen geven voor zijn zoon. En Pheres verwijt Admetos, die klaagt dat hij moet voort-leven zonder Alkestis, dat hij het offer van zijn liefhebbende vrouw heeft aanvaard.

Boccaccio gebruikt in zijn Ameto 1341 het thema als metafoor van de verjonging van de ziel door de liefde, onder de indruk als hij nog is van zijn prille liefde voor Fiammetta. In de nieuwe tijd hebben vooral toneelschrijvers zich gebogen over de merkwaardige relatie tussen de echtelieden, van Sachs 1551 tot Yourcenar 1963. Bij veel auteurs, met name in de 17e en 18e eeuw, is er sprake van een zekere ‘vernobeling’ van het karakter van Admetos, die bezwijkt voor de aandrang van Alkestis om haar leven voor hem te mogen offeren. Aldus Racine in zijn voorwoord bij Iphigénie 1674 en Alfieri 1798. Hetzelfde doet zich voor in opera’s van Lully/Quinault 1674, Schweitzer/Wieland 1773, Händel/Smollett 1750 en vooral Gluck/Calzabigi & Le Blanc 1760 (de zuiverste ‘Reform-Oper’ van Gluck, door hem voorzien van een voorrede die zoveel is als het manifest van de nieuwe opera-opvatting).

De ‘discussie’ wordt voortgezet in de toneel-literatuur van de 19e en 20e eeuw door o.a. Her-der 1803, Hofmannsthal 1893 (basis voor een opera van Wellesz 1924) en Thornton Wilder 1956, en in de dichtkunst door Browning in Balaustion’s Adventure 1871, waarin het karakter van Admetos weer de schakeringen kent die het bij Euripides heeft. Anderzijds is Admetos bij Morris, The love of Alkestis, onderdeel van The Earthly Paradise 1868-70, opnieuw zonder schaduwzijden. Bij Rilke in de Neue Gedichte 1907 moet Alkestis de liefdesdood sterven om pas echt de vrouw van Admetos te kunnen worden.

In de beeldende kunst van de oudheid komt het verhaal van Euripides, en vooral de teruggeleiding van de gesluierde Alkestis door Herakles, met name in de hellenistische kunst voor en daarna in de Romeinse funeraire kunst, namelijk op graf-schilderingen in de 2e en 3e eeuw n.C. en op sarco-faagreliëfs, waarbij men zich kan afvragen of de nabestaanden de scène in specifiek verband met de overledene hebben willen zien.

Vanaf de late barok en het neoclassicisme beeldt een enkele schilder of schilderes de dood van Alkestis, de teruggeleiding van Alkestis of de worsteling van Herakles met de Dood uit: bijv. Noël Coypel begin 18e eeuw, Galloche 1711, Angelika Kauffmann 1790, Peyron 1785 en Delacroix 1862. Rodin maakte in 1899 het beeld De dood van Alkestis.