uitschot betekenis & definitie

slecht, gemeen volk. Eigenlijk: afval, bocht, hetgeen onbruikbaar en overtollig overblijft (na bewerking). Syn.: tuig van de richel; vee van Laban.

Omgekeerd - het personeel dat naar Coroni en Nickerie ging, was over ’t algemeen uitschot, althans niet van ’t beste gehalte. (C. van Schaick, De Manja. Familie-tafereel uit het Surinaamsche volksleven, 1866)

‘De schooiers - ’t uitschot...', raasde Koert. (Herman Heijermans, Vuurvlindertje, 1925)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017