Piet van der Ploeg

Auteur van het psychologiewoordenboek

Gepubliceerd op 29-12-2016

2016-12-29

morele ontwikkeling

betekenis & definitie

Het leven lijkt soms eenvoudig in elkaar te zitten: stelen is verboden, je mag een ander niet bedriegen, en het is goed om iets voor een ander te doen. Ieder van ons bezit een zekere mate van verantwoordelijkheidsgevoel. Je kunt ook zeggen dat we allemaal een bepaalde moraal hebben. Moraal is datgene dat ons in staat stelt om goed van kwaad te onderscheiden, om ook daarnaar te handelen, en om trots of schaamte te voelen al naar gelang gedrag voldoet of afwijkt van de persoonlijke morele standaard.

Ontwikkelingspsychologen zijn geïnteresseerd in de manier waarop we in ons leven een moraal ontwikkelen. Aan het begrip moraliteit worden gewoonlijk drie componenten onderscheiden. (1) Een affectieve component (hoe voel men zich bij goede of kwade gedachten of acties), (2) een cognitieve component (hoe redeneer men over goed en kwaad, welke beslissingen neemt men), (3) en een gedragscomponent (hoe gedraagt men zich, ook als men tot bepaald gedrag wordt verleid). Hier belichten we kort enkele belangrijke morele ontwikkelingtheorieën.
Overzicht morele ontwikkelingstheorieën.
1. De cognitieve moraal ontwikkelingstheorie van Jean Piaget. In zijn werk "Lejugement moral chez l'enfant" (1932) beschrijft Piaget twee hoofdstadia van moreel oordelen. Het eerste stadium, het moreel realisme, verwijst naar een periode waarin het kind oordeelt en veroordeelt op grond van een extern eindresultaat zoals de omvang van de toegebrachte schade. Zo is een kind dat (per ongeluk) twaalfjampotten breekt veel stouter dan een kind dat (met opzet) één pot tegen de grond smakt. In een volgend stadium, vanaf ongeveer zeven jaar, zal het kind meer rekening houden met motivaties van het gedrag en wordt het externe resultaat minder belangrijk. In het zojuist gegeven voorbeeld wordt het kind dat het ongeluk had nu veel milder beoordeeld dan het andere kind. Een dergelijke interpretatie hoort thuis in het stadium van moraal van de reciprociteit. Beide stadia houden verband met de ontwikkeling van het preoperationele en concreet-operationele denken. Al hoewel Piaget de cognitieve ontwikkeling beschreef tot en met de adolescentie, deed hij dit slechts zeer beperkt voor de morele ontwikkeling.
In hetzelfde werk (1932) onderscheidt hij - parallel aan het preoperationeel, concreet- operationeel en formeel-operationeel denken - toch drie stadia, meer bepaald in verband met de houding van kinderen tegenover (morele) regels.
a. In het eerste stadium (twee tot vijf á zesjaar) maken de regels nog geen deel uit van de bewuste levensruimte van het kind. Verandering van regels (bijvoorbeeld in een spel) worden daarom gemakkelijk aanvaard. Het is een egocentrisch stadium met een dubbel karakter: het kind speelt volgens de regels van andere kinderen, maar door het egocentrisme is er geen standvastigheid. Er bestaan nog geen vaste regels. Over de oorsprong van regels worden nog geen vragen gesteld.
b. In het tweede stadium (vanaf zeven à achtjaar) heeft het kind hier wel opvattingen over: regels zijn van goddelijke oorsprong of op zijn minst door volwassenen ontworpen. Ze zijn absoluut en daarom niet veranderbaar. Ze worden strak toegepast, de overtreder wordt uitgesloten. Er is meer sociaal coöperatief spel mogelijk in overeenstemming met een over en weer aanvaarde set van regels, maar tot elf à twaalfjaar is het begrijpen van een conformiteit met de regels vaag en slechts benaderend. Kinderen geven onderling verschillende interpretaties op.
c. In het derde stadium (vanaf elf tot twaalfjaar) worden de regels wel goed begrepen en gehoorzaamd door allen. Er bestaat ook de mogelijkheid tot codificatie. Regels mogen veranderd worden voor zover de meerderheid ermee in stemt. Democratie komt in de plaats van theocratie of gerontocratie, aldus Piaget.
In principe gaat het hier over spelregels en niet over moraal. Bovendien heeft Piaget vooral observaties gedaan bij jongens, daar regelspelen bij meisjes minder blijken voor te komen (Verhofstadt-Denève e.a., 2003).
2. Een andere belangrijke cognitieve moraaltheorie (de zogenaamde stadiatheorie) is die van Lawrence Kohlberg (1927-1987). Hij vond Piagets theorie over het ontwikkelingsverloop bij kinderen waardevol, maar miste het aspect van toepassingsmogelijkheid. Dat was Kohlbergs drijfveer om Piagets theorie uit te breiden qua toepassingsdomein. In tegenstelling tot Piaget heeft Kohlberg ook geprobeerd het morele denken van adolescenten en volwassenen in zijn theorie onder te brengen.
Kohlberg bedacht een manier waarmee het niveau van moreel redeneren te meten is. Daarbij gaat het om de manier waarop je een situatie beoordeeld. De situatie waar het daarbij om gaat wordt een moreel dilemma genoemd. Het oordeel zelf wordt niet goed- of fout gerekend, in plaats daarvan worden het argument dat je voor je oordeel geeft ingedeeld op een schaal. Hoe hoger op de schaal, des te meer moreel ontwikkeld is het argument. Kohlberg stelt dat je in je morele ontwikkeling geen niveaus kunt overslaan. Sterker nog, mensen kunnen het redeneren vanuit een stadium hoger dan dat waarin ze zelf zitten niet eens begrijpen. De indeling van de stadia is als volgt. Er zijn drie algemene stadia. Elk van de drie stadia uit twee niveaus, en er zijn dus zes in totaal. Het gaat om de volgende stadia en niveaus:
Stadium 1. Preconventionele moraal
Niveau 1. Straf en gehoorzaamheid
Niveau 2. Naïef hedonisme
Stadium 2. Conventionele moraal
Niveau 3. 'Good boy' oriëntatie
Niveau 4. In stand houden van sociale orde
Stadium 3. Postconventionele moraal
Niveau 5. Sociaal contract-oriëntatie
Niveau 6. Individuele gewetensprincipes
Uit de beschrijving die bij elk niveau staat gegeven wordt al enigszins duidelijk waarop de indeling is gebaseerd. Het eerste stadium is min of meer een 'lagere school-mentaliteit'. Op het eerste niveau staat de sociale norm centraal en wat wel en niet mag van een 'autoriteit' (ouders, de staat). Op het eerste niveau is het belangrijkste doel om straf te vermijden. Op het tweede niveau gaat het vooral om de vraag: 'Is het in mijn voordeel?': juist gedrag wordt dan vooral gezien als dat waar je zelf het meest baat bij hebt. Het tweede stadium is het 'conventionele' ofwel het stadium waarin de maatschappij, in het algemeen, zich bevindt. Op het derde niveau gaat het vooral om goedkeuring van anderen voor je daden, op het vierde niveau om gehoorzamen aan de wet en het doen van je plicht.
Het komt volgens Kohlberg maar weinig voor dat mensen het derde stadium bereiken. Op het vijfde niveau staat het bewustzijn van het idee van sociale contracten waaraan iedereen wat heeft, centraal. Op dit niveau wordt dus zo veel mogelijk rekening gehouden met het algemene belang van anderen. Op het zesde niveau ten slotte gaat het om het respecteren van en vasthouden aan universele principes. Deze worden afgewogen met betrekking tot het eigen geweten. Het zesde niveau wordt maar door heel weinig mensen gehaald (als dat al gebeurt, want personen die zo ver moreel ontwikkeld zijn, zijn nauwelijks te vinden).
De theorie van Kohlberg over morele ontwikkeling geeft veel inzicht in de manier waarop mensen tot beslissingen komen als het gaat om oordelen over problemen waarvoor geen 'goed' of 'fout' antwoord voorhanden is. Wel is er vanuit de wetenschap kritiek op deze theorie, omdat ze een aantal tekortkomingen heeft. Die tekortkomingen gaan niet zozeer over het idee van stadia van ontwikkeling, maar meer over het algemene karakter van de indeling die Kohlberg maakt. Het gaat om vragen als: Is moreel redeneren gelijk in alle culturen? En gelden voor mannen precies dezelfde waarden als voor vrouwen?
Als voorbeeld van een vraag over het onderstaande verhaaltje: De mollen en het stekelvarken.
Een stekelvarken probeerde de kou te ontvluchten. Hij vroeg aan een mollenfamilie of hij samen met hen in hun hol de winter kon doorbrengen. De mollen stemden toe. Maar omdat het hol klein was merkten ze al snel dat ze, zodra het stekelvarken bewoog, schrammen opliepen. Daarom vroegen ze uiteindelijk het stekelvarken om te vertrekken. Het stekelvarken weigerde. Hij zei: 'Als jullie niet tevreden zijn, dan gaan jullie zelf maar weg!'.
In een experiment werd bovenstaand verhaaltje gelezen door een groep jongens en een groep meisjes. De vraag die elk van hen werd gesteld was: 'Hoe zou je dit probleem oplossen?' Het blijkt dat jongens voor 'rechtvaardigheid' kiezen, bijvoorbeeld 'Het hol is nu eenmaal van de mollen, dus moet het stekelvarken weg.' Meisjes kozen eerder oplossingen waarbij ieder het meest comfortabel bij zou zijn, zoals 'bedek het stekelvarken met een deken'. In Kohlberg's stadia zou het 'meisjesargument' lager staan dan dat van jongens, wat volgens sommige critici komt doordat de theorie en algemene ideeën over wat moreel verantwoord is vooral door mannelijke psychologen is bepaald. Overigens was het onderzoek van Kohlberg ook nagenoeg exclusief op jongen gericht.
3. Bij de meeste psychoanalytische theorieën wordt ervan uitgegaan dat iemands morele waarden en normen gevormd worden in jeugd bij de opvoeding. Het is een nagenoeg onbewust morele identificatieproces waarbij het kind zijn angst voor straf, vermindert door zich te identificeren met de ouder van hetzelfde geslacht. Door dit proces zal het op een emotioneel dwangmatige wijze zich de normen, waarden en seksuele rolpatronen van ouders blijven eigen maken. Het geïnternaliseerde geweten is in belangrijke mate later verantwoordelijk voor veel schuldgevoelens. Volgens Freud veroorzaakt alleen de gedachte aan iets wat niet mag al een schuldgevoel.
4. Bij de sociale leertheorie zien we vaak dat de morele identificatie tijdens de ontwikkeling gezien wordt als een vorm van operante conditionering of observationeel leren. Vooral bij oudere kinderen speelt hierbij het krijgen van negatieve gevoelens bij straf slechts een beperkte rol. Volgens hen speelt bij deze identificatie de gevoelde genegenheid voor de ouders en hun beredenering, verwoording en verantwoording als belangrijke factoren die de morele ontwikkeling vormgeven.