Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 13-12-2018

2018-12-13

Dorp

betekenis & definitie

Dorp. - Waar de bevolking zich in dicht naast elkaar staande huizen vereenigd heeft, noemt men die nederzettingen in naar grootte opklimmende volgorde; gehuchten, dorpen, vlekken, steden. Men spreekt van gehucht, waar eenige huizen, meestal boerenwoningen, niet ver van elkander staan. Het d. is grooter dan het gehucht; de huizen staan dichter bij elkaar, meer in geregelde orde, en gewoonlijk vindt men er een kerk en een school. Een vlek belt al meer naar het stedelijke over.

Onze grondwet kent niet het verschil dorp en stad Het verschil zit niet in de grootte, maar in de middelen van bestaan, in zooverre, dat de bevolking der dorpen vaak (niet altijd) leven van bodemkultuur (landbouw en veeteelt, tuinbouw), terwijl voor een stad het verkeer een min of meer groote rol speelt. Daar komt dan bij, dat de industrie er zich vestigt. Echter is het uiterst lastig, het begrip zuiver te definieeren. Men denke bijv. aan de stad Batenburg en het dorp Apeldoorn (of Stadskanaal).— De ligging der dorpen hangt vaak af van de geologische en hydrographische gesteldheid van den bodem. Op onze hoogere gronden, waar de bodem voldoende vastheid biedt, hebben de dorpen meest een kringvormige gedaante, in de zoogenaamd Saksische streken met een brink, met boomen beplant, in het midden. In het klei- en laagveengebied vindt men de dorpen meest langs de dijken, vaak in dubbele rij (dijkdorpen). Van zulke lengtedorpen zouden we ook in Z.Limburg kunnen spreken, waar enkele dorpen in het dal in de lengte zijn gebouwd. Typisch zijn de lengtedorpen ontwikkeld in de veenkoloniën, waar de nederzetting ligt aan één of aan beide zijden van het kanaal of van de twee hoofddiepen.

Langs veendijken, en daardoor in de lengte gebouwd, zijn Giethoorn, Wapserveen, Veendijk, Nyeveen, Ruinerwold, Staphorst, Rouveen e. a. in het N. van ons land, en Oostzaan, Oud-Loosdrecht. Ankeveen, Nieuwkoop in het W. Op de jonge zeeklei, vooral in het N. van Groningen en Friesland, liggen de nederzettingen als typische dijkdorpen; op de oudere zeeklei aldaar vindt men de dorpen op terpen of wierden gebouwd, dus rond: terpdorpen. Men vindt er in de Betuwe ook voorbeelden van op woerden of vluchtheuvels. De duindorpen en die op de geestgronden hebben een meer verstrooide groepeering der huizen. — Waar in kalkgebieden het watergebrek zich doet gevoelen, zijn de dorpen geheel tot de dalen beperkt, zooals in Champagne. Zoo zijn in vele streken in het Middellandsche Zeegebied de dorpen beperkt tot daar, waar bronnen zijn. Merkwaardig is de ligging van de dorpen in het Alpengebied.

Puinkegels dragen slechts dorpen, waar tengevolge van de nauwheid van het dal of tengevolge van moerassige gesteldheid geen andere plaatsen tot nederzetting aanwezig zijn. Vaak vindt men de puindelta’s der wilde beken bezet met dorpen. De eigenlijke oude meerbekkens daarentegen hebben weinig dorpen, evenmin als de eigenlijke dalbodem. Veel dorpen komen daarentegen voor op terrassen, en wel meest aan de Noordzijde van de O.-W. loopende dalen (Zonne-aristocratie). In de kwartaire gebieden van Java vindt men de dorpen in het diluviale gebied meest ver van de rivieren verwijderd, op de hoogere gedeelten. Die „hooge” ligging hebben ook de dorpen in het alluviale gebied, maar dan liggen ze ook daar, waar de rivieren het meeste slib gebracht hebben, d. i. in de nabijheid van deze. — Zie KERKDORP en KERSPEL; en over dorpen en dorpsbestuur in Ned.-Indië DÈSA(Javaansche) en GEMEENTEN (Inlandsche).