Wat is de betekenis van Dorp?

2020
2021-12-05
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

dorp

(2011) (Amsterdam, trambestuurders) grote menigte bij een halte. • ‘Er staat al een heel dorp op ons te wachten,’ zegt hij als ik met een rood hoofd weer op de wagen spring. Hij doelt op de menigte die op station RAI op de halte staat. (Jorie Horsthuis: Op de tram. Een jaar als conducteur in Amsterdam. 2011)

Lees verder
2019
2021-12-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

dorp

dorp - Zelfstandignaamwoord 1. een kleine, permanente nederzetting Van de wereldbevolking woont een steeds kleiner deel in dorpen.

Lees verder
2018
2021-12-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

dorp

dorp - zelfstandig naamwoord 1. plaats die kleiner is dan een stad ♢ ze is opgegroeid in een dorp op het platteland Zelfstandig naamwoord: dorp het dorp de dorpen het dorpje...

Lees verder
2014
2021-12-05
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

dorp

in: ’t rooie dorp, de gevangenis bij het Leidseplein (op de Weteringschans): ’t Vondelpark uit en de Amstelveensche weg op, de gevangenis voorbij, ‘Lijkt wel of we na ’t rooie dorp motte,’ zeit de scheerder, ABRAMSZ 109.

2004
2021-12-05
lesmethode Memo

Geschiedenisles voor bovenbouw

Dorp

Groepje huizen bij elkaar. Grotere groepen worden dan een dorp.

1999
2021-12-05
Encyclopedie Groningen

Nieuwe Groninger Encyclopedie

Dorp

Gehucht ten O. van Stroobos in de gemeente Grootegast nabij de Dorpsterweg, parallel aan de zuidoever van het Van Starkenborghkanaal. Ook Het Dorp.

1994
2021-12-05
Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

Dorp

Dorp, jonker Filips van, Nederlands vlootvoogd, *1587, +1652(?). Van Dorp werd in 1627 luitenant-admiraal van Zeeland en in 1632 van Holland en West-Friesland. Wegens zijn falend optreden tegen de → Duinkerker kapers werd Van Dorp in 1637 vervangen door Maarten Harpertsz. → Tromp.

Lees verder
1981
2021-12-05
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Dorp

In de Germaanse laagvlakte hebben zich verschillende typen van dorpen ontwikkeld. Deze verschillende vormen van aanleg kunnen verklaard worden uit de volgende factoren: de ligging, de historische ontwikkeling en de leefwijze der dorpsbewoners. Zo kunnen onderscheiden worden: 1. Het ronde dorp of het komdorp, het oude Germaanse dorptype. In het noor...

Lees verder
1976
2021-12-05
Gerben Abma

Encyclopedie van het hedendaagse Friesland (1976)

DORP

In de ontwikkeling van de ± 365 Friese dorpen zijn een aantal duidelijke tendenzen te constateren. a.Ontvolking. Met name in de jaren ’50 en ’60 trokken velen weg uit de dorpen, mede in verband met de afstoting van arbeidskrachten uit de agrarische sector. Dit had in de kleinere dorpen ingrijpende gevolgen: het gemeenschapsleve...

Lees verder
1973
2021-12-05
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Dorp

o. (-en), 1. Bebouwde kom van een gemeente op het platteland, kleiner dan een stad en groter dan een gehucht; bij uitbreiding: gemeente op het platteland (dorp is geen officiële naam); in historische zin iedere plaats zonder grachten, muren en poorten; (spr.) het kan beter van een stad dan van een dorp, de vermogende kan lichter iets opofferen...

Lees verder
1958
2021-12-05
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

DORP

Thans woonkern ten plattelande, vroeger een samenstellend onderdeel der grietenij. Het corresponderende Fr. woord terp heeft deze ontwikkeling niet meegemaakt en bleef hangen aan de betekenis van bouwland en kunstmatig opgeworpen woonhoogte. In de roomse tijd was veelal het bezit van een parochiekerk voor de status van D. criterium. D. in het were...

Lees verder
1952
2021-12-05
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Dorp

s.n., doarp (it), buorren.

1950
2021-12-05
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Dorp

o. (-en), 1. bebouwde kom ener gemeente op het platteland (kleiner dan een stad en groter dan een gehucht); bij uitbr.: gemeente op het platteland (dorp is geen officiële naam) ; — in hist. zin iedere plaats zonder grachten, muren en poorten; — (spr.) het kan beter van een stad dan van een dorp, de vermogende kan lichter iets opoff...

Lees verder
1949
2021-12-05
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Dorp

Arend van (1528-1600), Ned. staatsman en krijgsman, veroverde voor Willem I van Oranje in 1572 Mechelen en Dendermonde, in 1573 Tholen. Moest in 1576 Zierikzee aan de Spanjaarden overgeven. Elisabeth C. van (1872-1945), Ned. juriste, econome en politica. Was van 1922-’25 lid der Tweede Kamer. Vertegenwoordigde Ned. in 1927 op Internationale E...

Lees verder
1937
2021-12-05
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

dorp

o. -en ([bebouwde kom ener] gemeente op het land, kleiner dan een stad, groter dan een gehucht; de gezamenlijke bewoners): hij woont op een —; -achtig, bn., bw.: -e manieren; zij is — gekleed, dorps.

Lees verder
1933
2021-12-05
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Dorp

plaatsje o/h platteland met landelijke bevolking; is geen administratieve eenheid. De Ned. wet kent alleen gemeenten en maakt géén verschil tusschen dorp en stad.

1933
2021-12-05
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Dorp

1° Arend van, Ned. staatsman, heer van Teemsche, Maasdam, Middelhamis; * 1630, ♰ 2 Aug. 1600 te Den Haag. Rentmeester van Max. van Bourgondië in Duiveland, later curator van diens bezittingen. Bevordert en neemt deel aan den eersten inval van Oranje in Brabant. Bevordert inneming van Mechelen (1572), hierbij eigen belangen dienend. Als go...

Lees verder
1926
2021-12-05
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Dorp

Men onderscheidde in Kanaan steden en dorpen. De laatste waren van geringen omvang en het karakteristieke lag daarin, dat ze geen muren hadden (Lev. 25 : 29, 31) en dat ze in den regel van de steden afhankelijk waren. De uitdrukking „dochters van een stad” bedoelde dorpen rondom een stad. Volgens Deut. 3 : 5 maakte men ook nog ondersche...

Lees verder
1916
2021-12-05
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Dorp

Dorp. - Waar de bevolking zich in dicht naast elkaar staande huizen vereenigd heeft, noemt men die nederzettingen in naar grootte opklimmende volgorde; gehuchten, dorpen, vlekken, steden. Men spreekt van gehucht, waar eenige huizen, meestal boerenwoningen, niet ver van elkander staan. Het d. is grooter dan het gehucht; de huizen staan dichter bij e...

Lees verder
1898
2021-12-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Dorp

DORP, o. (-en), bebouwde kom eener gemeente op het platteland met eene of meer kerken (kleiner dan eene stad en grooter dan een gehucht); — (oudtijds) iedere plaats zonder grachten, muren en poorten; — (spr.) het kan beter van eene stad dan van een dorp, de vermogende kan lichter iets opofferen, betalen dan wie niet zooveel heeft; &mda...

Lees verder