Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 13-12-2018

Dekken

betekenis & definitie

Dekken - 1) het bedekken van paarden of koeien met dekens. Bij het paard bezigt men tegen de koude wollen dekens, die den romp grootendeels of geheel omhullen; tegen den regen, legt men op den rug een klein jeeren dek en in den zomer wordt tegen de vliegen dikwijls een netvormig dek opgelegd. Koeien, die in het najaar in de weide loopen, dekt men wel met dekens van jute of zaklinnen. Ook bij verschillende ziekten wordt het dekken der dieren in toepassing gebracht.

2) het paren van een manlijk dier met een vrouwelijk. De manlijke dieren, die speciaal voor het bevruchten der vrouwelijke dieren worden gebezigd, heeten daarom bij het paard dekhengsten, bij het rund dekstieren, bij het schaap dekrammen, bij de geit dekbokken, bij het varken dekbeeren. Daar een manlijk dier een groot aantal vrouwelijke dieren bevrucht — bij paard en rund dikwijls honderd en meer —, is de invloed van het manlijke dier van grooten invloed op de nakomelingschap. Waar men naar verbetering van den veestapel begint te streven, zal daarom steeds de eerste poging zijn het bezigen van uitstekende manlijke dieren. Zie DEKBEWIJS, DEKGELD, DEKLIJST en DEKPERIODE.