Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 29-06-2020

tuin

betekenis & definitie

m. (-en),

1. afperking, omtuining; nog in de zegsw. iemand om de — leiden, hem bedriegen; (vandaar hist.) voorstelling van een ronde omheining als symbool van veiligheid: (heraldiek) de Hollandse leeuw in zijn —; 2. (waterbouwkunde) vlechtwerk van tenen voor afscheidingen, beschoeiingen, kribben enz.; 3. afgeschoten stuk grond bij of om een huis, waar bloemen gekweekt of groenten enz. geteeld worden, hof; soms ook een afzonderlijk gelegen stuk grond: volkstuin; (zegsw.) ieder moet zijn eigen —(tje) wieden, ieder heeft genoeg te stellen met zijn eigen zaken; 4. (n.h.) afgesloten ruimte om preekstoel.