zuiver betekenis & definitie

zuiver - bijwoord, bijvoeglijk naamwoord
uitspraak: zui-ver

1. geen namaak
dat is zuiver goud
2. enkel en alleen
♢ zuiver vanwege de centen wil hij niet mee
3. helemaal zoals het hoort
♢ hij spreekt zuiver Nederlands
1. dat is geen zuivere koffie
[een verdachte zaak]
2. niet zuiver op de graad zijn
[niet helemaal vers, niet helemaal betrouwbaar]
3. van het zuiverste water
[van de beste soort]
4. een zuiver geweten hebben
[je niet schuldig voelen]
4. niet gemengd met vreemde bestanddelen
♢ haar ketting was van zuiver goud

Algemene uitdrukkingen:
1. hij is zuiver op de graat
[absoluut eerlijk]
Bijwoord: zui-ver
Bijvoeglijk naamwoord: zui-ver
... is zuiverder dan ...
het zuiverst
de/het zuivere ...
iets zuivers

Synoniemen
authentiek, echt, louter, onvervalst, puur
Tegenstellingen
vals