Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

wil

betekenis & definitie

wil - zelfstandig naamwoord

1. vermogen om bewust iets te proberen te doen
zij geeft het niet gauw op, ze heeft een sterke wil
1. ter wille van de kinderen
[voor de kinderen]
2. hem ter wille zijn
[helpen met wat hij vraagt]
3. uit vrije wil
[zonder dat je gedwongen wordt]
4. hij is van goede wil
[bedoelt het goed]
5. met de beste wil van de wereld niet
[hoe ik het ook probeer]
6. voor elk wat wils
[voor iedereen iets wat hij leuk vindt]
7. tegen wil en dank
[met tegenzin, gedwongen]
8. om 's hemels wil!
[in godsnaam]
9. met een beetje goede wil
[als je maar meewerkt]
10. uit vrije wil
[niet gedwongen]
11. waar een wil is, is een weg
[als je werkelijk iets wilt, vind je een oplossing]
12. zijn wil is wet
[hij bepaalt de regels]

Zelfstandig naamwoord: wil
de wil
het willetje

Tegenstellingen
onwil