Wat is de betekenis van zelfstandig?

2019
2021-09-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zelfstandig

zelfstandig - Bijvoeglijk naamwoord 1. op zichzelf staand Wees toch eens een beetje zelfstandiger! Woordherkomst Samenstellende afleiding van zelf en stand met het achtervoegsel -ig Antoniemen onzelfstandig Verwante begrippen onafhankelijk

Lees verder
2018
2021-09-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zelfstandig

zelfstandig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: zelf-stan-dig 1. niet van iemand of iets afhankelijk ♢ hij gaat alleen naar school, hij is erg zelfstandig 1. zelfstandig wonen [niet meer bij je oude...

Lees verder
2004
2021-09-20
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

zelfstandig

Werkloos. Sollicitanten wordt meestal aangeraden om in hun curriculum vitae de periodes waarin ze werkloos waren te omschrijven als ‘zelfstandig’ (de Volkskrant, 25-09-1993).

1973
2021-09-20
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

zelfstandig

bn. en bw. (-er, -st), 1. op zichzelf staand, onafhankelijk bestaand: een — begrip; een — bestaan hebben, in eigen behoeften kunnen voorzien; 2. op eigen benen staand, niet in dienst of afhankelijk van een ander; 3. in daden en optreden of bij zijn werk uit eigen kracht en initiatief handelend, geen hulp zoekend of behoevend: hij is n...

Lees verder
1952
2021-09-20
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zelfstandig

adj. & adv., selsstannich; zijn, jins eigen baes, man wêze; — een bedrijf beginnen, foar jin seis bigjinne; — een bedrijf uitoefenen, foar jinsels dwaen.

1950
2021-09-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Zelfstandig

bn. bw. (-er, -st), 1. op zichzelf .staande, onafhankelijk bestaande : een zelfstandig begrip ; zelfstandige wezens; — een zelfstandig bestaan hebben, in eigen behoeften kunnen voorzien; 2. (van pers.) onafhankelijk, niet steunende op of zich richtende naar -anderen: zelfstandig oordelen, optreden, handelen...

Lees verder
1898
2021-09-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZELFSTANDIG

ZELFSTANDIG, bn. bw. (-er, -st), wezenlijk, op zichzelf staande, onafhankelijk: zelfstandig oordeelen, optreden; zelfstandig handelen, bij zijne handelingen vrij zijn van den invloed van andere personen; een zelfstandig bestaan hebben, in eigen behoeften kunnen voorzien; — (spraakk.) zelfstandig naamwoord, een der tien rededeelen van eene taa...

Lees verder
1898
2021-09-20
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Zelfstandig

zie Onafhankelijk.