Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

wonen

betekenis & definitie

wonen - regelmatig werkwoord
uitspraak: wo-nen

1. er je woning hebben
hij woont al een jaar in Amsterdam

Regelmatig werkwoord: wo-nen
ik woon
jij/u woont
hij/zij woont
wij/zij/jullie wonen
ik/jij/u/hij/zij woonde
wij/zij/jullie woonde
hij heeft gewoond
wonend, wonende

Synoniemen
huisvesten, huizen