Wat is de betekenis van WONEN?

2024-06-25
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-06-25
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

wonen

wonen - Werkwoord 1. (inerg) een permanente behuizing hebben In ons werkgebied wonen ongeveer 200.000 mensen.

2024-06-25
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

wonen

wonen - regelmatig werkwoord uitspraak: wo-nen 1. er je woning hebben ♢ hij woont al een jaar in Amsterdam Regelmatig werkwoord: wo-nen ik woon jij/u woont ...

2024-06-25
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Wonen

v., wenje; (in huis zijn), húskje; alleen —, klúskje; ergens gaan —, jin earne nei wenjen sette; in een bebouwde streek —, yn ’e minsken wenje.

2024-06-25
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2024-06-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Wonen

(woonde, heeft gewoond), 1. zijn woning hebben, verbluf houden, gehuisvest zijn : in een stad, op een dorp wonen; in een eigen huis, op kamers wonen; (van dieren) de dassen en vossen wonen in holen ; — (van vogels) nestelen ; — bij iem. wonen, bij hem gehuisvest zijn of kamers hebben, (ook) bij hem dienen ; —...

2024-06-25
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

wonen

woonde, h. gewoond (1 verblijf houden; kamers hebben; gehuisvest zijn; 2 in dienst zijn): 1. ik woon te Utrecht; waar woont hij, in welke straat? bij iem. wonen; op kamers wonen; zij wonen op het land, houden verblijf; 2. Sprotje woonde bij een rijke familie. Opm. Men woont (germ.) niet in een hotel, men logeert of vertoeft er.

2024-06-25
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

wonen

('wo:nən) (woonde, heeft gewoond) 1. gevestigd, gehuisvest zijn : in een eigen huis -; ’s winters in de stad, ’s zomers op het land -; op kamers -; bij iemand -, bij hem inwonen of bij hem dienen. →: hanebalk. huis, rook. 2. nestelen : daar woont die vogel. 3.verblijven : waar de liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen.

Wil je toegang tot alle 13 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-06-25
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Wonen

(woonde, heeft gewoond), 1. zijn woning hebben, verblijf houden, gehuisvest zijn: in een stad, op een dorp wonen; bij iemand wonen, bij hem gehuisvest zijn of kamers hebben; groot, klein wonen, in een groot, een klein huis; 2. (fig.) gevestigd, steeds aanwezig zijn: in iemands hart wonen.