visser - zelfstandig naamwoord
uitspraak: vis-ser
1. iemand die vist
♢ er zaten tientallen vissers langs de ringvaart
1. aan elke goede visser ontsnapt wel eens een aal
[iedereen maakt wel eens een foutje]
Zelfstandig naamwoord: vis-ser
de visser
de vissers
het vissertje
Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.
Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.