Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

uitblazen

betekenis & definitie

uitblazen - onregelmatig werkwoord
uitspraak: uit-bla-zen

1. laten doven door te blazen
ze blies de kaarsen uit
2. niets doen of leuke dingen doen tot je niet meer moe bent
♢ zo, nu moet ik eerst eens even uitblazen

Onregelmatig werkwoord: uit-bla-zen
ik blaas uit (... ik uitblaas)
jij/u blaast uit (... jij uitblaast)
hij/zij blaast uit (... hij uitblaast)
wij/zij/jullie blazen uit (... wij uitblazen)
ik/jij/u/hij/zij blies uit (... ik uitblies)
wij/zij/jullie bliezen uit (... wij uitbliezen)
hij heeft uitgeblazen
de/het/een uitgeblazen ....
uitblazend, uitblazende

Synoniemen
rusten, uitrusten