thuis betekenis & definitie

thuis - bijwoord

1. in je woning
mijn dochter moet om tien uur thuis zijn
1. ik voel me daar thuis
[op mijn gemak]
2. ik trof hem thuis
[toen ik kwam, was hij in zijn woning]
3. daar is hij goed in thuis
[daar weet hij veel van]
4. doe alsof je thuis bent!
[maak het je gemakkelijk]
5. hij gaf niet thuis
[hij reageerde niet]

Bijwoord: thuis