Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 30-11-2017

streng

betekenis & definitie

streng - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord

1. wie zich strak aan de regels houdt en niet toegeeft
♢ mijn ouders waren erg streng
1. een strenge straf
[een harde straf]
2. een strenge winter
[met zeer lage temperaturen]
3. ergens streng de hand aan houden
[er niet van afwijken]

1. ineengevlochten bundel
♢ ze kocht een strengetje borduurzijde

Bijvoeglijk naamwoord: streng
... is strenger dan ...
het strengst
de/het strenge ...
iets strengs

Zelfstandig naamwoord: streng
de streng
de strengen
het strengetje

Synoniemen
onverbiddelijk

Tegenstellingen
mild, zachtaardig