sleutel - zelfstandig naamwoord
uitspraak: sleu-tel
1. metalen voorwerp waarmee je een slot opent of sluit
♢ hij stak de sleutel in het slot
2. gereedschap waarmee je moeren losdraait
♢ heb je geen grotere sleutel voor deze moer?
Zelfstandig naamwoord: sleu-tel
de sleutel
de sleutels
het sleuteltje
Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.
Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.