pot betekenis & definitie

pot - zelfstandig naamwoord

1. vat van aardewerk of glas
hebben we nog een pot appelmoes?
1. eten wat de pot schaft
[wat op tafel komt]
2. hij kan een potje bij me breken
[ik word niet gauw boos op hem]
3. zijn eigen potje koken
[zijn eigen eten klaarmaken]
4. op ieder potje past een dekseltje
[voor iedereen is een geschikte partner te vinden]
5. de dood in de pot
[een saaie boel]
6. de hond in de pot vinden
[komen als het eten op is]
7. een hoofd als een ijzeren pot
[een goed geheugen]
8. jongens van de gestampte pot
[zonder kapsones]
9. het is één pot nat
[er bestaat nauwelijks verschil tussen]
10. kleine potjes hebben grote oren
[als er kinderen in de buurt zijn moet je niet te veel vertellen]
2. lage schaal om in te plassen
♢ hij zet de kleuter op de pot
1. hij kan de pot op
[ik trek me niets van hem aan]
2. ben je nou helemaal van de pot gerukt!
[ben je gek geworden?]
3. naast de pot piesen
[misgrijpen of te laat zijn]
4. naast de pot piesen
[overspel plegen]
3. geld dat ingezet wordt bij een spel
♢ ik heb de pot gewonnen

Algemene uitdrukkingen:
1. het is allemaal één pot nat
[hetzelfde]
2. je maakt er een potje van
[een rommeltje]
Zelfstandig naamwoord: pot
de pot
de potten
het potje