persoon betekenis & definitie

persoon - zelfstandig naamwoord
uitspraak: per-soon

1. afzonderlijke mens
♢ uit hoeveel personen bestaat de groep?
1. vijf gulden per persoon
[voor elke mens vijf gulden]
2. je bent er de aangewezen persoon voor
[je bent er het meest geschikt voor]
3. de burgemeester in eigen persoon
[de burgemeester zelf]
2. vorm van het werkwoord die afhankelijk is van het onderwerp
♢ bij 'ik' gebruik je de eerste persoon enkelvoud

Zelfstandig naamwoord: per-soon
de persoon
de personen
het persoontje

Synoniemen
individu, personage

Tegenstellingen
drom, horde, massa, menigte, schare, volk