Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 31-10-2017

mens

betekenis & definitie

mens - zelfstandig naamwoord

1. wezen dat kan denken en praten
♢op de aarde leven mensen, dieren en planten
1. ik heb geen mens gezien
[niemand dus]
2. grote mensen
[volwassenen]
3. zij komt niet onder de mensen
[ontmoet geen anderen]
4. we gaan de inwendige mens versterken
[iets eten]
5. daar heb ik mijn mensen voor
[mijn medewerkers]
6. zij is geen mens voor kantoor
[daar is zij niet geschikt voor]
7. hij is een nachtmens
[werkt het liefst 's nachts]
8. ik ben ook maar een mens!
[verontschuldiging voor zwakheden]
9. een mens is geen aardappel
[hij wil wel eens een pleziertje]
10. alle mensen!
[uitroep van verbazing of ergernis]
11. de mens leeft niet van brood alleen
[heeft hogere behoeftes dan alleen het materiële]
12. ik ben geen mens meer
[ben heel erg moe]
13. de mens wikt, God beschikt
[het kan wel eens heel anders lopen dan je denkt]
14. onder de mensen komen
[mensen ontmoeten]
15. je hebt mensen en potloden
[berustend commentaar als iemand onhandig is geweest]
16. een mens van vlees en bloed
[met lichamelijke begeerten en zwakheden]
17. de Zoon des Mensen
[Jezus Christus]
2. vrouw
♢wat een vervelend mens is dat!

Zelfstandig naamwoord: mens
de mens
de mensen
het mensje

Synoniemen
sterveling, wereldburger