morgen betekenis & definitie

morgen - zelfstandig naamwoord, bijwoord
uitspraak: mor-gen

1. tijd vanaf zonsopgang tot de middag
♢'s morgens sta ik vroeg op
1. goede morgen
[groet]
2. de morgen breekt aan
[het wordt dag]
2. de dag na vandaag
♢morgen kom ik op bezoek
1. ja, morgen brengen!
[daar heb ik echt geen zin in]

Zelfstandig naamwoord: mor-gen
de morgen
de morgens
Bijwoord: mor-gen

Synoniemen
ochtend, voormiddag

Tegenstellingen
avond, gisteren